De `olympische' ploeg van premier Karamanlis

Uit de samenstelling van de nieuwe Griekse regering blijkt dat de Olympische Spelen en Cyprus de twee grote thema's zijn voor premier Kostas Karamanlis.

Als `olympische ploeg' wordt de Griekse regering betiteld die gisteren werd samengesteld door Kostas Karamanlis, leider van de conservatieve partij Nieuwe Democratie die zondag de parlementsverkiezingen won. Hij neemt daarin zelf het ministerie van Cultuur op zich, waaronder de Olympische Spelen van augustus ressorteren. Onder zijn voorganger Kostas Simitis waren er ernstige vertragingen en technische perikelen bij de voorbereiding opgetreden. Die vormen nu de eerste prioriteiten voor de nieuwe regering.

Fany Pallis-Petraliá, `schaduwminister voor de Spelen', krijgt een plaatsvervangende portefeuille op dit ministerie en zal te maken krijgen met de leidster van het voorbereidende comité, `ijzeren dame' Janna Daskaláki. Dimitris Avramópoulos, oud-burgemeester van Athene, krijgt de opnieuw ingestelde portefeuille van toerisme. Zijn opvolger als burgemeester, Dora Bakoyanni, waakt ook al over de Spelen. Sommigen voorzien nieuwe competentieconflicten.

Het nieuwe kabinet telt 46 ministers en onderministers, een record voor Europa en zelfs voor Griekenland. In de nieuwe regering hebben slechts twee vrouwen zitting, maar daar staat tegenover dat het voorzitterschap van het nieuwe parlement voor het eerst in vrouwelijke handen komt.

Een nationale kwestie die zich eerder voordoet dan de Olympische Spelen is die van Cyprus, omdat Griekenland na 22 maart wordt betrokken in het beraad op basis van het plan van VN-chef Kofi Annan over de voorgenomen hereniging van het eiland, voordat dit op 1 mei tot de EU zal toetreden. Volgens commentatoren verklaart dat de benoeming van de 76-jarige oud-diplomaat Petros Moliviátis tot minister van Buitenlandse Zaken.

Moliviátis, een relikwie uit de tijd dat Karamanlis' gelijknamige oom premier was (de jaren vijftig en zeventig), geldt als havik en heeft in 1999 het voor Athene en Grieks-Nicosia gunstige EU-akkoord van Helsinki hevig bestreden. Een van zijn drie aanstaande onderministers, prof. Jannis Valinákis, heeft onder de Grieks-Cyprioten een slechte naam omdat hij nog maar zes jaar geleden pleitte voor erkenning van de `Turkse republiek Noord-Cyprus'.

De Turken hebben juist gisteren, na een maandenlange ontspanningsperiode, hun schendingen van het Griekse luchtruim weer opgevoerd. Karamanlis zelf heeft duidelijk laten blijken de politiek van toenadering tot Turkije van de socialistische minister van Buitenlandse Zaken Jorgos Papandreou te willen voortzetten. Tijdens de verkiezingscampagne bracht hij een veelbetekend bezoek aan de Turkse premier Erdogan in Ankara, die optimistisch was over de Turks-Griekse verhouding.

Maar in de ND zitten meer Turken-haters dan in de PASOK, zoals Stélios Papathemelís, de enige politicus die zich verzette tegen humaninitaire hulp aan Turkije na de aardbeving in 1999. Andonis Samarás werd bij de ND met open armen ontvangen, nadat hij een tijdlang een eigen ultranationalistisch partijtje had geleid, de Politieke Lente, waarvan hij trots meldde dat dit als enige geen moslimkandidaten uit het noordoostelijke Thracië had opgenomem.

De ND zet zich ook minder sterk dan de PASOK af tegen de fanatieke aartsbisschop Christódoulos, die nog niet zo lang geleden de Turken `barbaren' noemde. In zijn regering heeft Karamanlis partijgenoten die zich in die zin uitlieten niet opgenomen, maar juist dit schept een coterie van ontevredenen die tijdens de te verwachten concessies inzake Cyprus voor moeilijkheden kunnen zorgen.