Stop met gecijfer achter de komma

Prestige moet in een essentiële zaak als het Europese macro-economische beleid niet de doorslag geven.

Bij het Stabiliteitspact mag de grens van drie procent niet heilig zijn, meent E.P. Wellenstein.

Er is in de Nederlandse openbare discussie over de begrotingsperikelen iets merkwaardigs aan de hand. Nog geen jaar geleden heerste hier de grootste opwinding, omdat Duitsland en Frankrijk er niet in slaagden hun begrotingstekort onder de 3procent van het bruto nationaal product te brengen. Nu wij zelf voor de tweede keer in deze situatie terechtkomen, wordt dat gelaten en zonder discussie ondergaan. Geen interpellatie in de Kamer, zelfs geen vragen hoe het komt dat afgelopen herfst nog werd gezegd dat het Centraal Planbureau het mis had, toen het voor 2003 een 3 procent-tekort aankondigde, terwijl nu is gebleken dat dat precies juist was.

Deze krant stelde in het hoofdartikel op 2 maart vast, dat minister Zalm nu problemen heeft. Zulke beleidsproblemen worden tegenwoordig heel snel in de persoonlijke sfeer getrokken, en daar heeft deze minister ook wel aan bijgedragen. Maar het is niet Zalm die problemen heeft, het zijn Nederland en het kabinet met de Kamer als verantwoordelijken voor het macro-economisch beleid, die nu in de problemen zitten. En die verantwoordelijkheid gaat jaren terug, tot Paars II, toen Financiën nog door de VVD en de PvdA samen werd beheerd. Men zegt zo gemakkelijk dat het Europese Stabiliteitspact nu geschonden wordt en snel ongedaan moet worden gemaakt.

Maar de niet-naleving van dat Pact gaat veel verder terug, tot de laatste hoogconjunctuur. Zoals minister Eichel bij het jongste bezoek van zijn collega Zalm aan Berlijn niet naliet te benadrukken, had het Stabiliteitspact in die vorige periode gerespecteerd moeten worden door begrotingsoverschotten te kweken toen dat nog kon, en daarmee staatsschuld af te lossen. Dan had men een ruime marge gehad om in de huidige laagconjunctuur de negatieve gevolgen daarvan op te vangen. Dat is niet alleen in Duitsland en Frankrijk niet gebeurd, ook bij ons is geen stootkussen opgebouwd.

Het zat ons ook niet mee: een op zichzelf nodige belastinghervorming was juist gereed voor invoering op het ongunstigste moment. Ten gevolge van onze `koopkrachtplaatjescultuur' was deze niet begrotingsneutraal. Bovendien werd er nog wat `smeergeld' aan toegevoegd, want de belastinghervorming moest breed worden gedragen. Toen liep de inflatie lelijk op, gevolgd door de lonen. Onze tegenwoordige minister-president was een van de weinigen die op dat moment in de Kamer een waarschuwend geluid lieten horen. Wat wij nu beleven is het rechtstreeks gevolg van die extra impuls op het verkeerde moment van de conjunctuur.

Nu wij zelf in de problemen zitten, zal er ook wel meer begrip ontstaan voor de moeilijkheden in bijvoorbeeld Duitsland. Het is lastig immers om een eenmaal scheefgegroeide situatie snel te corrigeren. In een democratie, en zeker met een niet al te sterke coalitieregering, vergt dat veel stuurmanskunst en heeft het een politieke prijs, zeker als de oppositie niet altijd meewerkt.

Bovendien heeft geen regering het verloop van de begrotingsresultaten geheel in de hand, zeker niet op korte termijn. De Nederlandse economie is met name zo afhankelijk van externe factoren, dat het een illusie is het tekort op een procent achter de komma te kunnen beheersen.

De Europese Commissie heeft daar de afgelopen periode in het geval van Duitsland, tot onze toenmalige grote verontwaardiging, begrip voor getoond door niet te verlangen dat het tekort al in het derde jaar onder de 3 procent werd gebracht. Er werd zelfs even overwogen de Commissie daarvoor voor het Europese Hof te dagen (`te slepen', was toen de gangbare term alhier). Omdat die stap in het Verdrag van Maastricht, op dat punt geredigeerd door de verzamelde ministers van Financiën, uitdrukkelijk was uitgesloten, hebben we daar niet veel meer van gehoord. Daarna beijverden wij ons om in het kader van een Europees Constitutioneel Verdrag de bepalingen over de begrotingstekorten aan te scherpen, met name op het punt van de bevoegdheden van het Europese Hof.

Nu ligt ook dat achter ons: Eichel en Zalm waren het er in Berlijn over eens dat het Stabiliteitspact (daarmee bedoelden zij de verdragsbepalingen over begrotingstekorten) niet gewijzigd moet worden. Nog verder achter ons ligt de Nederlandse beleidsdoelstelling om, zodra het begrotingstekort 2,5 procent beloopt, verdere bezuinigingsmaatregelen te nemen. Maar de 3 procent-grens lijkt – niet onbegrijpelijk na al het voorgaande maar wel onverstandig – nu een prestigezaak te worden. Prestige mag in zo'n essentiële zaak als macro-economisch beleid niet de doorslag geven. Het is ook niet zo, dat de verdragsbepalingen alle begrotingstekorten boven 3 procent verbieden: zij achten die terecht zeer ongewenst, maar soms tijdelijk onvermijdelijk en beter dan pro-cyclische harde ingrepen in de laagconjunctuur. Veel hangt af van de vooruitzichten in de komende maanden, en van de economische ontwikkelingen in onze omgeving en de wijdere wereld.

Die factoren nuchter beoordelen is beter dan zich alleen te laten leiden door procenten achter de komma. Misschien zijn ingrepen echt nodig, maar dat moet dan het resultaat zijn van een diepgaande analyse, en niet van een simpele rekensom met maar één variabele.

Drs. E.P. Wellenstein is oud-directeur-generaal bij de Europese Gemeenschap.