Sliep-uit-televisie

De VPRO vertoonde de afgelopen weken `Zijn of azijn' van programmamaker Bram van Splunteren. Waarom verzandde deze serie nep-documentaires in sliep-uit-televisie?

In 1972 zond de VPRO-televisie een documentaire uit van Pieter Verhoeff, getiteld Rudy Schokker huilt niet meer. Hierin bracht een nabij Schiphol geconcipieerd kind in plaats van gehuil het geraas van vliegtuigen voort. Namaak, uiteraard, maar er waren kijkers die erin trapten. De afgelopen weken bracht de VPRO-tv een documentaire in drie delen, waarin de hoofdpersoon eveneens een curieus gehuil produceerde. Oók namaak, en weer trapten veel kijkers erin.

De VPRO heeft in dit genre een traditie hoog te houden. De reeks nep-documentaires 30 minuten, waarin Arjan Ederveen zich in de meest uiteenlopende gedaanten door de camera liet volgen, werd onderscheiden met een Nipkov-schijf. Bram van Splunteren vermomde zich in Zijn of azijn niet als `typetje' maar bleef dicht bij zichzelf: een gefrustreerde programmamaker in wie bij de VPRO niet de Grote Cineast werd gezien die hij eigenlijk was. Thuis filmde hij zijn worsteling met gezinsleden. Huilbuien bij de therapeut en in de auto maakten het beeld van een midlifecrisis compleet.

Waarom waren Rudy Schokker en 30 minuten goed en Zijn of azijn niet? Het genre van de fake-documentaire luistert nauw. Van Splunteren overtrad drie basisregels:

1. Geloofwaardigheid moet tot het einde worden nagestreefd.

In de derde aflevering van Zijn of azijn deelde de programmamaker zijn dip met een glunderende acteur Thom Hoffman en een bijna proestende presentator Robert ten Brink. Een kind kon zien dat dit niet menens was. `Schmieren' heet dat bij het toneel. Die ondertoon klonk ook door in de andere gesprekken.

2. Het verhaal moet op zichzelf kunnen staan.

Niemand is driemaal 45 minuten geïnteresseerd in een met zichzelf worstelende programmamaker. In plaats van almaar hetzelfde gejeremieer had een iets grotere regisseur enige dramatische ontwikkeling in de serie gebracht. Dan was de kijker misschien geboeid geweest ondanks de vraag of de maker de kluit belazerde.

3. Satire is de uitvergroting van een herkenbare situatie.

Dat betekent niet dat je er met het beklemtonen van bepaalde humeuren en temperamenten al bent. ,,Waar gebeurd is geen excuus'', om met Reve te spreken. De door Van Splunteren ten tonele gevoerde crisis verhief zich geen moment tot een algemeen geldende thematiek.

Maar wat beoogde de maker dan wél met dit vals getoonzette lamento? Het programma werd gebracht als een moreel reveil tegen het hedendaags cynisme. Heilzaam is, beklemtoonde acteur Hoffman zondag, om cynische carrièredrang ondergeschikt te maken aan een poging door te dringen tot `de kern van het leven'. Was het geheel misschien een verlate parodie op softe psychobabbel? In dat geval bereikte de programmamaker juist de hoogste vorm van cynisme.

Op de website van de reeks wordt, om de uitzendingen nog `echter' te doen lijken, verwezen naar emotie-programma's en boeken over depressies. Hoeveel echte leiders aan een geestelijke inzinking zijn door deze uit de hand gelopen grap niet op het verkeerde been gezet? Bram van Splunteren dreigt nog televisie-geschiedenis te schrijven als de Tara Singh Varma van het geestelijk ongerief.

Als het amusement noch mededogen is, welk doel diende dit ,,merkwaardigste tv-programma van het seizoen'' (de Volkskrant) dan eigenlijk? Is het een per ongeluk tv-geworden pamflet van een gemankeerde speelfilmmaker? Een onbeholpen verzetsdaad tegen het negativisme bij zijn werkgever? Of betreft het een grensverleggende aanklacht tegen de hedendaagse media, waarin nep en echt niet meer te onderscheiden zijn?

Ik kon er niet meer van maken dan sliep-uit-televisie: een lange neus naar de argeloze kijker.