Niet burgers maar bestuurders zijn het probleem

Morgen debatteert de Tweede Kamer met het kabinet over een thema dat Jan Marijnisse van de SP heeft aangezwengeld: de publieke moraal. Daar is alle reden toe. De bouwfraude blijkt in de hele sector en tot op het hoogste niveau te spelen, Ahold fraudeerde, Parmalat speelt zich af op de stoep van ons land, wethouder Oudkerk moest aftreden en de uitkeringsinstantie UWV raakte in opspraak. Wat deugt er nog wél aan het Nederland van vandaag? Toch dringt de vraag zich op waar het in het debat over moet gaan.

De bezorgdheid van premier Balkenende geldt vooral de publieke moraal, waarden en normen die in de maatschappij leven, indachtig zijn motto `fatsoen moet je doen'. Dat is grotendeels ook het uitgangspunt van de onlangs verschenen studie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Waarden, normen en de last van het gedrag. Het is de vraag of dat het juiste gezichtspunt is, want de ethiek van jan publiek is bij genoemde schandalen niet in het geding, beter nog: ook zonder empirisch onderzoek kan worden vastgesteld dat het merendeel van de Nederlandse bevolking ze afkeurt. We kunnen rustig stellen dat burgers de laatste decennia eerder scherper dan lankmoediger zijn geworden in hun afkeuring van graaien, corruptie, belangenverstrengeling, nepotisme en dubieus vrijetijdsgedrag van openbare gezagsdragers.

Het moet in onze bezorgdheid eerder gaan om de moraal van de bestuurders zelf, om hun gevoel voor wat in de samenleving leeft en wat betamelijk is. Het gaat om hun morele antenne. Dat zou de kern van het debat moeten zijn: de moraal van de bestuurders en niet de moraal van het publiek.

In welke mate voelen topbestuurders – in bedrijfsleven, politiek en openbaar bestuur – aan wat de `basis' in moreel opzicht van hen verwacht? Als er bij alle schandalen van de laatste tijd één ding duidelijk is, is dat wel de grove onderschatting en naïviteit waarvan deze getuigen.

Ahold kwam pas na consumentenacties terug op de beloning van topman Moberg, met de moraal wisten ook de Amsterdamse politiek en de PvdA in de kwestie-Oudkerk geen raad, een uitkeringsinstantie die niet `disproportioneel' maar wel duur inricht heeft weinig besef van de eisen die aan de publieke dienstverlening worden gesteld, in de bouwsector blijken fraude en crimineel gedrag endemisch en de sector heeft nog steeds niet door dat (zelf)onderzoek dringend geboden is. Kortom, kortzichtigheid, lankmoedigheid, naïviteit en vooral tekortschietend normbesef bij de leiding van bestuur en bedrijf.

Hoe zou de morele antenne van onze bestuurders in het openbaar bestuur en in het bedrijfsleven beter kunnen worden afgesteld?

Het bedrijfsleven is bezig met de code Tabaksblat, maar ook hier is het gevaar groot dat die weliswaar wordt ingevoerd, maar dat toezicht en controle op de naleving er niet toe doen. J. Schraven, voorzitter van VNO-NCW, legde op deze pagina (4 maart) doodgemoedereerd uit: ,,Wie daarvan afwijkt moet het (kunnen) uitleggen.'' Vrijblijvendheid troef en die wordt in de hand gewerkt als er geen serieuze sanctie op overtreding staat. Bovendien is een gedragscode maar een beperkt onderdeel van het integriteitsbeleid, zeker als de code van bovenaf wordt opgelegd. Nee, erg optimistisch over het zelfreinigend vermogen van de marktsector zijn wij niet.

Voor het openbaar bestuur kunnen we terugvallen op een analyse die we in 2001 maakten. Toen al constateerden we diverse manco's in het Nederlandse integriteitssysteem:

Het negeren van de integriteit van de private sector. De belangstelling daarvoor is inmiddels wel toegenomen, door schandalen gedwongen, maar alle drukte daaromheen oogt nog vrijblijvend.

De gebrekkige kennis over corruptie en fraude. Daarom is het ook niet verwonderlijk dat we telkens door nieuwe schandalen worden opgeschrikt en we ons nog steeds kunnen verbazen over de schier grenzeloze creativiteit in die sector van het kwaad.

Het belang van het verankeren van de betekenis en de inhoud van het integriteitsbeleid in instituties. Met het presenteren van het jongste wetsvoorstel over ambtelijke integriteit laat minister Remkes (Binnenlandse Zaken) zien dat er op zijn departement aan wordt gewerkt. Dat is winst, maar met regels alleen komen we er niet. Wie neemt het op zich de integriteit van het bestuur te bevorderen, wie registreert en volgt wat er gebeurt, wie adviseert politici en ambtenaren, wie waakt tegen conflicts of interest, wie sanctioneert? Nederland zou in dit opzicht van het buitenland kunnen leren. Zo is er in de VS een Office of Government Ethics dat registreert, volgt en adviseert en in Canada let een ethics counselor op de handel en wandel van bewindspersonen. We bepleiten niet die organen te kopiëren, wel om van ervaringen te leren en te bezien welke binnen onze bestuurlijke en maatschappelijke cultuur passen.

De gebrekkige wijze waarop de politiekbestuurlijke elite – kabinet en parlement – de eigen integriteit heeft geregeld. Waar blijft de gedragscode voor de Tweede Kamer? Hoe zit het met het kabinet? Waar blijft de nodige duidelijkheid over belangenconflicten (financial disclosure) voor politici en bestuurders? Waar blijft het onderzoek naar de relatie tussen de landelijke politiek en politici en de bouwers? Hoe zit het met het debat over privé en publiek in Den Haag? Waarom hielden de Europarlementariërs van CDA, VVD en D66 – de drie coalitiepartijen – zich niet aan de gedragscode die de Nederlandse delegaties hadden afgesproken?

Er valt nog een wereld te winnen, alleen al in het geven van het goede voorbeeld. Daarom reiken wij als centraal onderwerp voor het debat van morgen aan: de moraal van de politiek-bestuurlijke elite zelf, de ethiek van Tweede Kamer, kabinet en (top)ambtenaren.

Prof.dr. L.W.J.C. Huberts en prof.dr. J.H.J. van den Heuvel zijn verbonden aan de onderzoeksgroep Integriteit van Bestuur (afdeling Bestuur en Organisatie) van de Vrije Universiteit Amsterdam.