Nationale lachebek

Albert Mol is op 87-jarige leeftijd overleden. Hij was een kleinkunstenaar met een wonderbaarlijk veelzijdig oeuvre. Hij danste, acteerde, schreef, maakte choreografieën, verzorgde therapeutische spellessen, was een begenadigd verteller en verrichtte pionierswerk door als eerste Nederlandse artiest voor zijn homoseksualiteit uit te komen. Volgens sommigen gaf hij het Nederlandse publiek een verkeerd beeld van de gemiddelde homoseksueel, maar Mol was dan ook niet van plan een gemiddelde homo te zijn.

Albert Mol werd op 3 januari 1917 geboren in het Tehuis voor Gevallen Vrouwen in Amsterdam, als kind van een ongetrouwde moeder met een hartstochtelijke belangstelling voor de podiumkunsten. Toen hij zakte voor het toelatingsexamen van de toneelschool, wist ze hem in 1934 onder te brengen in het gezin van de grote acteur Paul Huf, de vader van de latere fotograaf, waar hij vijf jaar lang woonde en privélessen kreeg. Hij kreeg via Huf zijn eerste toneelrolletjes en volgde ook een balletopleiding, eerst in Amsterdam en eind jaren dertig in Parijs, bij de vooraanstaande Olga Prejobajenska.

Sindsdien werkte Albert Mol afwisselend als danser, acteur en edelfigurant, in kindervoorstellingen, balletuitvoeringen, revuetjes en cabaretprogramma`s. Zo kwam hij de oorlog door. Na de bevrijding begon zijn jarenlange samenwerking met Wim Sonneveld; hij speelde mee in scènes en ontwierp de mouvementen die de groep van Sonneveld tot de elegantste van allemaal maakte. In die tijd was hij ook een paar jaar getrouwd met een collega-danseres; de actrice Kika Mol is zijn dochter. ,,Als ik nou niet de makke had gehad dat ik met die klerekerels naar bed wilde, hadden we een leuk gezinnetje gehad,'' zei hij later in een boek dat Tony van Verre over hem schreef.

Door zijn avontuurlijke aanleg werkte Albert Mol ook geregeld buitenslands. Zo verscheen hij in de eerste naoorlogse jaren onder meer als `karakterdanser' bij het Zweeds Danstheater van Ivo Cramer en het ensemble van de gerenommeerde Lotte Goslar, en zelfs als solodanser in diverse operaproducties in de Scala van Milaan. Voorts danste hij in 1950 in de film Ballerina van Ludwig Berger, in een choreografie van Yvonne Georgi.

Bij het Nederlandse publiek werd hij echter vooral populair door twee komische filmrollen: eerst als kornuit van hoofdrolspeler Wim Sonneveld in Het wonderlijke leven van Willem Parel (1955) en daarna als de in het nauw rakende dirigent in Fanfare (1958) van Bert Haanstra. Maar in Haanstra's geflopte De zaak M.P. (1960) ging ook Albert Mol, in zijn hoofdrol als verliefde jongeman, aan ongeloofwaardigheid ten onder.

Op zijn 49ste kwam er nog een nieuw werkterrein bij. Zijn boekje Wat zien ik?, het smeuïge relaas van een hoer over haar schilderachtige klantenkring, werd een ware bestseller. De verhalen werden in 1971 vaardig verfilmd door de debuterende Paul Verhoeven. Zelf speelde de auteur een bijrolletje als verlegen hoerenloper. Vervolgens groeide hij in het tv-spelletje Wie van de drie? ook uit tot de nationale lachebek, die golven van hilariteit wekte met een onuitputtelijk repertoire aan dubbelzinnige vragen en opmerkingen.

Maar intussen had hij in het programma Een groot uur U van Koos Postema ook om een andere reden opzien gebaard. Voorzichtig vroeg Postema hem, of het klopte dat hij in zijn liefdesleven aan mannen de voorkeur gaf boven vrouwen. Mol gebaarde dat de camera dichterbij moest komen en antwoordde in close-up: ,,Als het onder ons kan blijven... dat is waar'' – of woorden van soortgelijke strekking. Daar was toen veel moed voor nodig. Als er toen al over homoseksualiteit werd gesproken, ging het uitsluitend over de problematische kanten. Mol was de eerste, die er probleemloos over praatte en er – via Wie van de drie? – zelfs een bron van vrolijkheid van maakte. Misschien schiep hij daarmee ongewild een eenzijdig beeld, maar bevrijdend was zijn optreden wel. Hij legde in elk geval een basis waaraan artiesten als Jos Brink, Paul de Leeuw en heel wat anderen veel te danken hebben.

Buiten de schijnwerpers werkte Albert Mol in de jaren tachtig en negentig als therapeutisch speldocent voor kinderen en volwassenen die om uiteenlopende redenen in een kliniek zaten. Verder woonde hij ver weg van het gewoel, in een boerderij in Laren (Gelderland), met zijn vorig jaar overleden vriend Guerdon Bill die de liefde van zijn leven was.

Zijn laatste applaus oogstte Mol in 1997, toen hij zijn baardje afschoor en zijn gebit uitdeed om de bejaarde, bedlegerige moeder te spelen van een door Arjan Ederveen gespeelde dochter met een fout verleden, in diens tv-serie 30 Minuten. Het respect deed hem goed; hij was nu eens niet als `malle Appie' gevraagd, maar als een acteur die met minieme middelen de suggestie van een gruwelijk wijf wist te wekken. Het was een verrassend afscheid, even verrassend als de vele wendingen die zijn carrière steeds weer nam.