Moslims en M-Oosten

Op 3 maart ging de column van Frits Abrahams over een debat, een dag eerder in zaal de Unie in Rotterdam, betreffende de uitwerking van het Palestijns-Israëlische conflict op de moslims in Nederland. Ik was de organisator van dat debat en kreeg naar aanleiding van Abrahams column een regen aan telefoontjes over me heen. De bellers waren vooral verontwaardigde en bezorgde vrienden en kennissen. Een goede vriendin, met een joodse achtergrond en met een sterk geïnternaliseerd besef van de holocaust, vroeg verontwaardigd: ,,Wat voor een gezelschap van hufters heb je toch bij elkaar geroepen die avond? Dit kan echt niet.'' Het debat ging tussen Abu Jahjah en Maurits Berger en betrof de vraag of er sprake is van een overmaat aan identificatie van Marokkanen met de Palestijnse zaak. Abrahams nam in zijn column vier citaten van drie mensen op. Als deze citaten een oprechte weergave zouden zijn van die avond, dan krijg je als weldenkend mens inderdaad een vieze smaak in je mond. Maar deze citaten zijn niet representatief voor het debat, het waren juist de uitzonderingen die uit de toon vielen, en niemand in de zaal had zin om er op in te gaan.

In tegenstelling tot wat Abrahams de lezer wil doen geloven, was het publiek niet eensgezind. ,,Voor mij is steun aan Palestijnen een mensenrechtenkwestie, hun wordt al 50 jaar groot onrecht aangedaan, dus ze verdienen onze solidariteit'', zei de één. Terwijl een ander de solidariteit met Palestijnse moslims als zijn drijfveer zag. Weer een ander vond dat zij als Berber, een door Arabieren onderdrukte volk, eigenlijk helemaal niet solidair hoefde te zijn met Arabieren.

,,Maar voelen jullie onderdrukt, zoals jullie de onderdrukking van Palestijnen ervaren?'', vroeg een Nederlandse vrouw. ,,Nee, natuurlijk niet'', luidde de volmondige reactie uit de zaal.