Het hart van de burger

Goed idee, dat rijbewijs voor bromfietsen. Na de verplichte brommerhelm en de verplichte gordels op de achterbank van de auto is dit een nieuwe stap in de officiële regulering van modern verkeersgedrag. Je kunt natuurlijk ook rekenen op het zelfbeschikkingsrecht en verantwoordelijkheidsgevoel van de jonge Easy Riders zelf (zoals in sommige Amerikaanse staten waar een brommerhelm al geldt als een verfoeilijke communistische inperking van menselijke vrijheid), maar nee, hier ligt volgens Den Haag toch echt een taak voor de overheid.

Terecht. Niet álles wat in de moderne cultuur goed gaat, is nu eenmaal te danken aan de `driftbeheersing' die ons beschaafden zou onderscheiden van achterlijke volkeren, en die ons in staat stelt, bijvoorbeeld, stoïcijns over een naaktstrand te wandelen, een voorbeeld van `zelfbeheersing' dat laatst nog werd aangehaald door de schrijver Leon de Winter.

Naast zulke Selbstzwang, zoals het dan heet onder sociologen, is de tegenpool Fremdzwang onontbeerlijk voor menselijke omgangsvormen. Overigens, een politiek incorrecte gedachte, je vraagt je wel eens af hoe diep die `driftbeheersing' gaat als je de opvliegende reacties leest van sommige mannen over de hoofddoekjes van jonge moslima's: speelt daarin behalve de hang naar hun emancipatie misschien ook seksuele naijver een rol? De bevrijding van de vrouw in de jaren '60 door de pil had als keerzijde toch ook: seksuele beschikbaarheid.

Dat samenspel van zelfdiscipline en dwang kenmerkt het moderne burgerschap, een idee waar zowel links als rechts zich nu het hoofd over breekt. Op rechts wordt gepleit voor een Nederlands `grondwetspatriottisme', vergelijkbaar met dat van de Verenigde Staten waar elk kind trouw zweert aan de republiek, of met Frankrijk waar het individu sinds de Revolutie geldt als `staatsburger'. Opmerkelijk is daarbij, dat juist conservatieven (die zich destijds zo fel keerden tégen de Revolutie) zich die waarden nu hebben eigen gemaakt. Links tobt intussen, grotendeels in stilte, met de vraag hoe klassieke begrippen als solidariteit en gelijkheid nieuwe vorm kunnen krijgen.

Beiden kunnen daarin doorschieten: op rechts doemen, althans bij de radicale voorvechters van het liberale individualisme, de contouren op van een sterke, dwingende overheid die veel meer voorschrijft dan een rijbewijs voor brommers en zelfs één levensbeschouwelijk perspectief propageert, namelijk dat van het seculiere liberalisme.

Een tendens die overigens in het voorbeeldland Amerika juist wordt bestreden door de politieke geestverwanten in de regering-Bush, die haar kaarten heeft gezet op een nieuwe moralisering van de samenleving met een grote rol voor de kerken en religie in het algemeen een wezenskenmerk van het `barmhartige conservatisme' dat Bush uitdraagt.

Op links is het risico dat ze daar timide blijven nasuizen van de klap die Fortuyn `de linkse kerk' heeft toegebracht, of er niets interessanters tegenover stellen dan gekrenkte nostalgie en een lofzang op vervlogen tijden.

Hoe is het zover gekomen? In zijn oratie, afgelopen vrijdag aan de Amsterdamse Vrije Universiteit, stelt de Amerikaanse historicus James Kennedy een leerzame diagnose van de publieke deugden in Nederland. Het ontbreken van een krachtige staatsideologie en de fragmentatie van het openbare leven door de verzuiling heeft volgens hem in Nederland het ontstaan bemoeilijkt van een goed gedefinieerd begrip van civic virtues, publieke deugden. Maar met het wankelen van de zuilen in de jaren '60 barstte het debat in alle heftigheid los, op een manier die Kennedy vergelijkt met de Amerikaanse democratie die Alexis de Tocqueville beschreef in 1831: ,,een grondig ontvoogde democratie, een militant egalitaire maatschappij, niet bereid om gezag onmiddellijk te accepteren en optimistisch, zelf utopisch over het menselijk kunnen.'' Dat is nog eens een originele vergelijking, en heel wat prikkelender dan de versleten sjablonen die van de jaren '60 louter een poel des verderfs maken. Het Nederland van de jaren '60 en '70, aldus de hoogleraar, was ,,vol van burgers die elkaar enthousiast opriepen tot een hogere maatstaf van gedrag''.

Met de ontideologisering in de jaren '80 en '90 verloor Nederland zijn belangstelling voor publieke deugden en werd de overheid gedegradeerd tot een moreel neutrale leverancier van diensten aan ongeduldige klanten, een aambeeld waarop niet alleen Paars maar ook de boeman ervan, Pim Fortuyn, luidruchtig hamerde. Publieke deugden uitten zich nog vooral in een ,,passie voor het publieke welzijn in internationaal opzicht'', een vorm van ethische politiek waaraan hardhandig een einde kwam in het stadje Srebrenica. Sindsdien is de verwarring compleet en zijn we in zekere zin terug bij de jaren '60: een verhit debat dat alle kanten opschiet, maar waarin de revolutionaire retoriek over ,,stervende oude vormen'', corrupte elites en volksvijanden, en een glorieuze nieuwe toekomst, dit keer van rechts komt.

Is er een middenweg? James Kennedy identificeert de ,,ethische erfenis'' van moderne democratieën, waarin normen en waarden niet meer simpelweg van bovenaf worden opgelegd, als een samenstel van ,,eerbied, vrijgevigheid en hoop''. Die begrippen vormen het kader voor publieke deugden en binden engagement met het verleden, het heden en de toekomst. Eerbied veronderstelt een respectvolle omgang met het verleden, een die volgens Kennedy op gespannen voet staat met de Nederlandse vernieuwingsdrang. Dat lijkt juist: zowel door radicaal-links in de jaren '60 als door radicaal-rechts tegenwoordig wordt het verleden vooral gebruikt als ideologisch instrument. Vrijgevigheid toont zich volgens Kennedy in de sociale solidariteit van de verzorgingsstaat, waarvan hij ook de christelijke achtergrond ziet: de verzorgingsstaat als bureaucratische uitdrukking van caritas. Daaraan kun je toevoegen: het is dus geen toeval dat fanatiek secularisme en kritiek op de verzorgingsstaat hand in hand gaan. Hoop ziet Kennedy ten slotte, behalve mede als bron van de verzorgingsstaat, als richtsnoer voor de politiek: het visioen van een betere toekomst.

Het is allemaal minder tastbaar dan een rijbewijs, en het klinkt een stuk softer dan de slogans van secularisme en republikanisme die ons nu om de oren vliegen, maar als kader voor moderne civic virtues zijn de kernbegrippen van Kennedy inspirerend en, ook niet gek in een tijd vol rancune en ressentiment, hartverwarmend positief en optimistisch.