Wezenlijke vragen

J.L. Heldring werpt in zijn column van 4 maart ,,niet onwezenlijke vragen op'' zoals ,,wat is de grondslag van die moraal?'' als liberalen (of wie dan ook, A.F.F) om morele redenen iets willen beteugelen, matigen of remmen. Hij accepteert daarmee morele redenen als bestaande redenen en daarmee een notie van `goed' en `slecht' die de groep, die deze redenen hanteert, daaraan toekent. Of Heldring `goed' en `slecht' als interpretatie erkent van iets buiten de mens, dus als onafhankelijke grootheden die worden ingegeven door een gezag onafhankelijk van de mens, is uit zijn column niet op te maken.

Voor een agnosticus die principieel van mening is, de eerste oorzaak der dingen niet te kunnen kennen, lijkt de vraag naar de oorsprong eigenlijk een onmogelijke. Echter deze (uit Van Dale) aangehaalde definitie zegt niet, dat die oorsprong niet bestaat. Alleen dat het kennen ervan onmogelijk is. Daarom blijft deze wezenlijke vraag Heldring in diverse van zijn columns achtervolgen.

Het onafhankelijk normgevende is zakelijk en onveranderlijk verankerd in de natuurwetten, waarvan ook mensen product zijn. Wij noemen de uitwerking daarvan in de regel slecht en daarmee iets slecht als deze ons leed brengt. We noemen het goed als de uitwerking hiervan ons gelukkig maakt. Met onze keuzen geven we zelf richting aan de uitwerking van die wetten. En hoewel de natuurwetten niet als oorsprong kunnen worden gezien, reflecteren ze wel eigenschappen van hun oorsprong: onafhankelijkheid en onveranderlijkheid.