Ontheemding

Voor het raam zitten staren. Doelloos door de stad lopen. Een bezoek brengen aan een tempel waar ze net een onbegrijpelijk ritueel opvoeren. In het lege hotelzwembad zwemmen. Op het hotelbed zitten en naar de betekenisloze televisie staren. Allemaal makkelijk herkenbare gedragingen die horen bij de ontheemding van het alleen in een vreemde stad zijn en geen houvast en geen doel hebben.

In de film Lost in Translation van Sofia Coppola zie je al die zinledige handelingen en voel je vanzelf de enorme leegte. Er zijn in haar film twee mensen die zich zo gedragen, en een poosje trekken ze met elkaar op: de jonge vrouw wier man het druk heeft met het fotograferen van een Japanse popgroep, de middelbare acteur die voor een reclamespotje en nog wat klusjes in Tokio moet zijn.

Het is geen verhaal van een grote liefde, al hebben ze het wel een poosje enorm leuk met elkaar – zoals je het alleen buiten de tijd, buiten de normale wereld leuk kunt hebben, vrijwel verleden- en toekomstloos. Dit is het verhaal van vervreemding. Ontheemding. Niet alleen in Tokio maar in het hele leven.

Het is een geestige, sympathieke en weemoedig stemmende film over iets heel gewoons. Over hoe makkelijk men de draad kwijt is van het gewone leven, al is die draad nu ook weer niet zó zwak en vaag.

Voor sommige mensen is de toestand min of meer voortdurend zo. Ik las de verhalen die aspirant-schrijvers van Arabische afkomst instuurden voor de El Hizjra Literatuurprijs. Er viel heus wel wat te lachen – al waren het maar sommige manieren van zeggen die onweerstaanbaar deden denken aan Jonathan Foers grappige en al evenzeer over identiteit en vervreemding handelende boek Alles is verlicht, zinnen als: ,,mijn grootmoeder verwelkomde mij hartelijk tegemoet'' – maar meestal was het nogal pijnlijk wat men opschreef. Niet pijnlijk in een sensationele zin, maar juist in de zin van de film. Alsof men eeuwig in Tokio had moeten blijven. Een schrijnende indruk van mensen die nergens bij horen. Ja, dat lezen we wel eens vaker, ik weet het wel. Maar als je een stapel verhalen leest waarin op zoveel verschillende manieren almaar het gevoel van nergens te horen onder de woorden en de beelden uit komt kijken, dan voel je het toch meer dan als dat zomaar eens ergens een zinnetje is in een sociologische beschouwing.

Je zou natuurlijk wel Japans gaan leren, als Tokio écht de nieuwe plek was, zodat je niet meer naar de menukaart van het restaurant zat te kijken als een kip naar het onweer. Je zou de weg leren en iets willen weten van die rituelen in die tempels. Je zou denkelijk meer Japanse schrijvers gaan lezen, wellicht in Engelse vertalingen, want het Japans zou nog wel een hele poos meer op een quiz dan op een taal lijken. Je zou wellicht een hartstocht ontwikkelen voor de Japanse keuken. En thuis zou je proberen het zo Europees mogelijk te maken. Denk ik.

Iedereen probeert zich dat soms wel eens voor te stellen, neem ik aan, wat voor soort immigrant je zelf zou zijn. Nu al te oud om ooit nog helemaal ergens anders te slagen of thuis te gaan horen, gedoemd tot eeuwige kromspraak met een zwaar accent. Bereid mee te doen in de nieuwe maatschappij – maar niet helemaal, niet innerlijk.

Nooit zou je meer een Moestafa Stitou kunnen worden, daar in Japan. Las laatst een interview met deze nog jonge dichter in Vrij Nederland. Hij zei onder meer dat hij dol was op dichters als Remco Campert, Zbigniew Herbert en Lars Gustafsson. Dat klonk verrassend vertrouwd en helemaal niet alsof hij was blijven steken in een soort Japan. Hij woont hier dan ook al zijn hele leven. En als je zo'n dichter bent als hij is, een dichter die in zijn poëzie niet bang is voor proza, dan liggen de namen van Herbert en Gustafsson voor de hand. Maar een eindje verderop vertelde hij dat zijn beide ouders analfabeet zijn.

Over vervreemding gesproken. Het kan voor hem helemaal niet zo vanzelfsprekend zijn, niet zoals het voor een jonge dichter van Nederlandse afkomst zou zijn, om de gedichten te schrijven die hij schrijft, te lezen wat hij leest, te vinden wat hij vindt. Allemaal hoogstpersoonlijk veroverd.

Hij zei niets over Arabische voorkeuren. Misschien heeft hij die helemaal niet. Maar als hij ze wel zou hebben, als hij grote klassieke namen genoemd zou hebben, wat dan? Dan zou hij ineens weer afkomstig blijken uit Tokio. Beetje ongemakkelijk voelde dat besef ook. We zijn hier natuurlijk in Nederland, Europa, dus het is heel gewoon dat hij Nederlandse en Europese dichters kent, en hij is hier ook opgegroeid, dus...

Maar zou het niet een beetje aardig zijn om zelf ook iets te weten van de Arabische poëzie? De dichters en schrijvers van Arabische afkomst doen zelf moeite om die voor ons te vertalen en te introduceren,

ijverige Arabisten als Marcel Kurpershoek en Richard van Leeuwen sloven zich uit, J.T.P. de Bruijn maakte ruim een jaar geleden nog een schitterende selectie uit de klassieke Perzische poëzie, Een karavaan uit Perzië, waaruit zowel vreemde als vertrouwde overwegingen opklinken, zoals dit kwatrijn van de dertiende-eeuwse mysticus Attaar:

Je denkt: `Ik heb de wereldziel doorzien.'

Je hebt wat zij verborgen houdt gezien.

Weet: als je ogen scherper konden zien,

werd het zichtbaar dat jij niets kunt zien.

Op een of ander internationaal literair congres sprak ik eens een Koerdische dichter. Hij kon heel goed met mij praten. Ik niet met hem – níéts bleek ik te weten van zijn vanzelfsprekende grote namen.

Cyrille Offermans schreef afgelopen zaterdag in deze krant een prachtig stuk over het belang van eruditie, over hoe zich thuis te voelen in de eigen traditie. Het ging over een al niet meer vanzelfsprekende kennis van de westerse cultuur. En dat is al lastig genoeg.

Maar toch. Je zou je ook nog meer thuis willen voelen in de rest van de wereld, niet op die stomme manier van `the global village' die betekent dat je overal je computer aan kunt zetten en internet kunt ontvangen, maar in de ouderwets kosmopolitische zin. Belezen. Geleerd.

Nee, dat de mensen nu niet gaan denken dat ik bedoel dat wíj eigenlijk moeten integreren of zoiets. Ik bedoel gewoon interesse. Zodat de wereld niet een groot Tokio is, en jij achter het raam, starend in troosteloos onbegrip.