De VS hebben val van Aristide georchestreerd

Het aan geweld verslingerde Amerika mag in Haïti niet ongestraft haar gang gaan, meent Jeffrey D. Sachs.

Als de omstandigheden niet zo rampzalig waren, zou de door Amerika gearrangeerde verwijdering van ex-president Jean-Bertrand Aristide van Haïti een klucht mogen heten. Volgens Aristide kreeg hij van Amerikaanse functionarissen in Port-au-Prince te horen dat rebellen op weg waren naar de presidentiële residentie, en dat hij en zijn gezin weinig kans hadden om het er levend af te brengen, tenzij zij onmiddellijk met een gereedstaand, door Amerika gecharterd vliegtuig in ballingschap gingen. De Verenigde Staten maakten duidelijk, zei hij, dat zij geen bescherming voor hem zouden regelen in zijn officiële residentie, hoewel dat heel eenvoudig zou zijn geweest.

Sterker nog, volgens Aristides advocaat hebben de VS verhinderd dat Aristides eigen veiligheidstroepen werden versterkt. Volgens Aristide weigerden Amerikaanse functionarissen hem op het vliegveld het vliegtuig binnen te laten, tenzij hij zijn aftreden met een ondertekende brief bevestigde. Nadat hij zo het vliegtuig in was gewerkt, mocht Aristide bijna 24 uur lang niet telefoneren en wist hij niets over zijn bestemming, totdat hij samen met zijn gezin zomaar werd gedumpt in de Centraal-Afrikaanse Republiek. Sindsdien is hij buiten beeld gehouden. Toch lijkt het erop dat deze Keystone-Cops-coup niet helemaal volgens plan is verlopen:

Met behulp van een gsm heeft Aristide de wereld laten weten dat hij onder bedreiging met de dood onder dwang van Haïti is weggehaald, en heeft hij beschreven hoe zijn aftreden door Amerikaanse troepen was gearrangeerd. Volgens de Amerikaanse regering kletst Aristide maar wat.

Minister van Buitenlandse Zaken Colin L. Powell heeft een officiële versie van de gebeurtenissen gepresenteerd, een glasharde ontkenning, uitsluitend op basis van het woord van de regering. In feite zegt Washington: kijk niet achterom, kijk alleen vooruit. Het dwarsliggen van de Amerikaanse regering doet denken aan een oude grap van Groucho Marx: ,,Wie geloof je nou liever, mij of je eigen ogen?''

Deze surrealistische episode heeft verscheidene tragische aspecten. Het eerste is dat de Amerikaanse regering blijkbaar niet bij machte is om de waarheid te spreken over zoiets als het afzetten van een regering. In plaats daarvan worden essentiële vragen van tafel geveegd: hebben de VS Aristide zonder meer militaire bescherming geweigerd, en zo ja, waarom en wanneer? Hebben de VS wapens geleverd aan de rebellen, die vorige maand in Haïti verschenen? Waarom hebben de VS de oproep van Europese en Caraïbische leiders tot een politiek compromis – dat Aristide al had aanvaard – cynisch naast zich neergelegd? En vooral: hebben de Verenigde Staten – naar het zich nu laat aanzien – in Haïti inderdaad een staatsgreep gefinancierd?

Slechts wie niets weet van de Amerikaanse geschiedenis noch van de regeringen van George Bush en George W. Bush, kan deze vragen terzijde schuiven. De Verenigde Staten hebben herhaaldelijk coups en opstanden gesteund in Haïti en in naburige Caraïbische staten. Veelzeggend is dat de meest recente vergelijkbare episode vóór de gebeurtenissen van vorige week zich in Haïti had voorgedaan in 1991, onder de eerste regering-Bush, toen door de CIA betaald geboefte mede de leiding had over paramilitaire groepen die Aristide, die in 1990 was gekozen, ten val brachten.

Enkele van de huidige betrokkenen speelden ook onder de vorige regering-Bush al een rol, met name natuurlijk Powell en vice-president Dick Cheney. Een sleutelpositie wordt ook bekleed door de Amerikaanse assistent-minister van Buitenlandse Zaken Roger Noriega – een beruchte Aristide-hater, die lange tijd een naaste medewerker is geweest van Jesse Helms – die, naar in brede kring wordt aangenomen, een hoofdrol heeft gespeeld bij het vertrek van Aristide.

Zelden heeft een episode zo treffend Santayana's beroemde aforisme geïllustreerd dat ,,wie zich het verleden niet kunnen herinneren, gedoemd zijn het te herhalen''. Toen in 1991 de Black Caucus (de belangengroep van de Afrikaanse Amerikanen in het Congres, vert.) een onderzoek eiste naar de Amerikaanse rol bij de val van Aristide, werd deze door de eerste regering-Bush weggejouwd, net als nu onder deze regering gebeurt met nieuwe vragen van Congresleden van de Black Caucus. Mensen die de Amerikaanse regering vragen stellen over Haïti, worden zelfs naïviteit en onvaderlandslievendheid verweten. Aristide zelf wordt belasterd met bespottelijke propaganda en – dat is wel heel cynisch – beschuldigd van plichtsverzuim, omdat hij zijn land niet van de armoede heeft weten te bevrijden.

In feite is het zo dat deze Amerikaanse regering vanaf de dag dat George W. Bush aan de macht kwam alle multilaterale ontwikkelingshulp aan Haïti heeft bevroren, dat zij de Haïtiaanse economie heeft uitgeknepen en de inwoners van het land ongekend leed heeft berokkend.

De Amerikaanse functionarissen wisten heus wel dat het hulpembargo een crisis in de betalingsbalans, stijgende inflatie en verlaging van de levensstandaard zou veroorzaken – allemaal factoren die de opstand in de hand hebben gewerkt.

Nóg een tragedie in deze episode is het zwijgen van de media, die weigeren de nodige vragen te stellen. Net als in de oorlog tegen Iraks niet bestaande massavernietigingswapens, waarbij de doorsnee media aanvankelijk de beweringen van de regering voor lief namen, hebben belangrijke nieuwsinstanties nu geweigerd de berichten van de regering over Haïti aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. De media missen de pit om Aristide op te sporen, en voeren ter rechtvaardiging aan dat hij van zulke contacten wordt weggehouden.

Nu een aan geweld verslingerde Amerikaanse regering in vele delen van de wereld ongestraft haar gang gaat, kan slechts een hardnekkige jacht op de waarheid door het publiek ons en anderen behoeden voor de gevolgen van onze ergste misdragingen.

Jeffrey D. Sachs is voormalig economisch adviseur voor Latijns Amerika en directeur van het Earth Institute aan Columbia University.