`Baan nodig voor huwen buitenlander'

Iedereen die wil trouwen met een partner buiten Nederland en zich hier wil vestigen, moet zich financieel kunnen redden. Mimimaal één van de twee moet daarom een baan en inkomen (geen uitkering) hebben en beschikken over reguliere huisvesting.

Dat stelt een CDA-werkgroep onder leiding van de Rotterdamse wethouder S. van der Tak in het rapport Nederland Integratieland, dat vanavond zou verschijnen. De werkgroep pleit verder voor ,,bindende afspreken'' van schooldirecties met ouders over hun betrokkenheid bij de school. Tevens wil de commissie dat jongeren tussen de 17 en 23 jaar die voortijdig de school verlaten, verplicht een leer-werkcontract krijgen. Ook anderen, aldus de CDA-werkgroep, die onvoldoende gekwalificeerd zijn voor de arbeidsmarkt, moet verplicht worden om zich zodanig te scholen dat zij niet op voorhand aangewezen zijn op bijstand als het inkomen van de partner wegvalt. Als daartoe geen serieuze pogingen worden gedaan, meent het rapport, kan gedacht worden aan een korting op de uitkering. De werkgroep pleit in navolging van een eerder schenen studie van het wetenschappelijk Instituut van het CDA, Investeren in Integratie, voor goede startkwalificaties van immigranten om in het eigen onderhoud te voorzien. Dat is nodig, aldus het rapport, om actief burgerschap te bevorderen.

De voorstellen van de commissie-Van der Tak zijn het gevolg van tientallen gesprekken met (kerkelijke) organisaties, deskundigen en CDA-afdelingen in het land in het afgelopen jaar over integratie. Terwijl in 2002 tien procent van de Nederlandse bevolking uit niet-westerse migranten bestond, aldus de werkgroep, bleef te lang onduidelijk in hoeverre ons land een immigratieland is. 40 procent van de niet-westerse migranten woont in de vier grote steden. De helft van deze migranten is afhankelijk van een uitkering en leeft onder de armoedegrens. Alhoewel werk geen voldoende voorwaarde is voor integratie, schrijft de commissie, is het wel en noodzakelijke voorwaarde. De werkgroep vindt verder dat in de politieke discussie ,,religie te veel en te vaak als een belemmering voor integratie wordt gezien''. Voor de expressie van het persoonlijke geloof moet ruimte zijn, meent de commissie van der Tak. Daar kan volgens haar alleen aan worden getornd als ,, de vervulling van een openbaar ambt dat expliciet in de weg staat''.