Auto

Lastige vraag van een lezer: auto is een verkorting van automobiel, maar sinds wanneer gebruiken wij die verkorting? ,,De eerste auto's'', voegde de vraagsteller hieraan toe, ,,waren in het bezit van rijke mensen, die meestal hoogopgeleid zullen zijn geweest. Zij zullen dus hebben geweten dat auto, of eigenlijk autos, Grieks is voor `eigen, zelf'. Het lijkt mij gek om te zeggen dat je in een `eigen' of `zelf' rijdt, dus ik vermoed dat die verkorting een tijd op zich heeft laten wachten.''

Nee, dat blijkt niet het geval te zijn. Ik beperk me hier tot de geschiedenis van het woord automobiel, de ingewikkelde geschiedenis van de auto zelf moet buiten beschouwing blijven.

Automobiel is in 1886 voor het eerst in het Nederlands aangetroffen, als bijvoeglijk naamwoord. Men gebruikte het voor `zichzelf in beweging brengende' (men had het bijvoorbeeld over ,,een automobiele stoombrandspuit''), maar volgens onze naslagwerken werd het weinig gebruikt. Als zelfstandig naamwoord is automobiel, dat in alle moderne talen uit het Frans is geleend, in 1897 voor het eerst in het Nederlands aangetroffen, in het tijdschrift Eigen Haard. ,,Voor eenige weken'', schreef dit tijdschrift indertijd, ,,hebben de Fransche bladen medegedeeld, dat de Compagnie des Petites Voitures, de groote rijtuigmaatschappij te Parijs, in de maand Juli niet minder dan vijfhonderd `automobiles' in gebruik zou stellen. Deze rijtuigen, die de plaats der gewone fiacres moeten innemen, zullen gedeeltelijk door stoom, door petroleum of benzine, maar voor het meerendeel door electriciteit worden bewogen.''

Aanvankelijk schreef men bij ons dus, in navolging van het Frans, automobile, maar dit werd al snel automobiel.

Men gaat ervan uit dat de eerste automobiel in 1897 Nederland binnenreed (ik heb het nu niet over de stoomwagen, die is aanmerkelijk ouder). De opwinding en de verbazing waren groot en er moest van alles worden uitgelegd. Zo schreef een populair-wetenschappelijk tijdschrift in 1898: ,,Men moet de automobiel niet beschouwen als een rijtuig waaraan men de paarden ontnomen heeft en waarop een motor bevestigd is.''

Al één jaar later, in 1899, is de verkorte vorm auto aangetroffen, en wel in De Kampioen, het bekende tijdschrift van de ANWB. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal, het wetenschappelijke woordenboek van het Nederlands, citeert de passage als volgt: ,,De heer B. verscheen des morgens [...] onder stortbuien aan den start met een klein open automobielrijtuigje voor twee personen [...] Beide reizigers vertrokken [...] en niemand dacht dat zij Chantilly per auto zouden bereiken.''

Maar hoe algemeen was die verkorting indertijd? Dat kun je nazoeken in oude woordenboeken. Koenen vermeldde automobiel nog niet in 1902, maar wel in 1903 (met als omschrijving `zelfwerkend modern voertuig, met caoutchoucbanden om de wielen. Ook: tuf-tuf'). In 1906 duikt auto voor het eerst in Koenen op als verkorting van automobiel, met als voorbeeldzin ,,de auto wordt meer en meer gebruikt''. Dat Koenen die verkorting toen opnam in z'n schoolwoordenboek geeft aan dat ze al behoorlijk was ingeburgerd.

Of er hoogopgeleide autobezitters zijn geweest die het vanwege hun kennis van het Grieks verdomden de verkorting auto te gebruiken weet ik niet, maar het zou me niet verbazen. Zoals Koenen al aangaf hadden ze aanvankelijk een alternatief, namelijk tuf-tuf, maar ik kan me bijna niet voorstellen dat dit onder de eerste autobezitters erg populair is geweest. In 1903 schrijft Koenen bij tuf-tuf: ,,Volksnaam in Frankrijk en elders van de automobiel.'' Hij vermeldt ook het werkwoord tuf-tuffen met als definitie `met de tuf-tuf rijden'.

Tuf-tuf kom je nu alleen nog tegen in kindertaal, maar het hiervan afgeleide werkwoord tuffen voor `(een beetje sukkelend) rijden met een auto of motor' is gewoon gebleven. Ook dit werkwoord was trouwens snel gevormd: deze krant gebruikte het al in 1910.

Reacties naar de Achterpagina of naar sanders@nrc.nl.