Zwolle - Kampen

Joyce Roodnat wandelt door Nederland en de rest van de wereld. Deze week in het IJsseldal.

Krokante laagjes vorst dekken gras en struik af, de sloten staan stijf van ijs met witte spatten. Terwijl het zonlicht zich door een glasgordijnen nevel werpt, prijken witte wolken bubble cut in fladderblauw. Een of meer kraaien krijsen tussen de kale zachte-berkentwijgen. Denk ik. Ik hoor ze, maar ik zie er geen een.

Het betonpad voert tot bovenop de dijk. Op slag wordt het kraaigekras overstemd door het hogere register van de watervogels. Daar is de IJssel alweer mooier dan ik me haar herinner. Mysterieus vandaag, met een glimmerend oppervlak, troebel als een aangetaste spiegel. In de bevroren rietplassen wuiven alleen de pluimen, de rivier is los en schurkt zich langs de oevers. Een aalscholver, hij heet Anton vermoed ik, controleert in een lage spionagevlucht het water. Meerkoeten omzwemmen meerpalen, een tufbootje vaart voorbij, wapperend roodwitblauw achterop.

Aan de andere kant van de dijk liggen in de ruime weilanden verspreide boerenhuizen en rechthoekige, hoog opgeschoten elzenbossen. Het land wordt doorkruist door watertjes met ontroerend scheefgegroeide knotwilgen erlangs.

De nevel trekt op. Het wit wordt weggegumd, onvoorstelbaar vlot verdwijnen de flinters sneeuw en ijs, om voort te blinken als dikke druppels die elk op zichzelf de complete zon mogen weerkaatsen. De sloten houden langer stand, de ijsvloertjes blijven strak glanzen. En toch: we zien iemand met de hak van zijn groene wellington een wak trappen. Zijn fiets ligt bovenaan de dijk in de berm, sleuteltje in het slot, fietspomp tegen de stang geklikt als stadskind kijk je daar van op.

Na statige rechte stukken rivier te hebben gevolgd en majesteitelijke bochten met aan onze kant hoge rode stuurboordbakens, zitten we op de steiger voor een gesloten theehuis. De enkels draaiend boven het IJssel-gebrabbel, drinken we onze eigen thee. Ik aai man even over zijn rug. Zijn jack is warm.

Een golvende richel aangespoeld oud riet in het veld verraadt hoe hoog de rivier soms opdringt. In een prikkeldraadafrastering vlocht het water verwassen halmen, stukjes touw, repen plastic en een diepblauwe broek. Plat en plank hangt hij in de stekels, net of hij geperst werd. Zo sterk is het water.

De grond is nu zompig, op de sloten liggen plasjes. Twee zwarte zwanen maken halve harten van hun halzen. Een bordercollie drijft, aangemoedigd door zijn fluitende baas, behendig een club bruine en witte schapen door een smalle opening in het hek naar een andere weide. De paniek van de klontsgewijs dravende school schapen tegenover het machismo van de ultrasnelle hond, die nu en dan abrupt stil houdt en dan geinig laag op zijn buik zakt, het is subliem theater. En wij staan eerste rij.

Er trekt een vlaag Kitekat-geur langs. De oevers van de rivier herbergen dampende industrieën en ook bedrijven als `Pompeji antieke bouwmaterialen'. Daar ligt Kampen, met de statige oude IJsselbrug onder twee maal vier gouden reuzenwielen, en de Kampense hotsebotse kerk.

15 km. Kaarten 30 t/m 33 uit: Hanzestedenpad. Uitg. Wandelplatform-LAW, Amersfoort 1999. Tussen de stations van Zwolle en Kampen rijdt elk half uur een trein.