Suriname en Nederland: een belaste relatie

Het kan een samenloop van omstandigheden zijn geweest, een misverstand in de protocollaire afstemming van de agenda's. Maar toen het staatshoofd van Suriname, president Venetiaan, deze week op doorreis van Peking naar Paramaribo een tussenstop maakte in Nederland, was de koningin in Berlijn en was premier Balkenende formeel niet van zijn komst op de hoogte. Venetiaan was wel aanwezig op bijeenkomsten van de Surinaamse gemeenschap in Rotterdam en Amsterdam, maar van een ontmoeting met de koningin of de premier is het niet gekomen. Dat is treurig. Want er valt op regeringsniveau tussen beide landen het nodige op te helderen en vooral veel aan de betrekkingen te verbeteren.

Ruim drie jaar geleden kreeg een Nederlands-Surinaams onderzoeksteam opdracht 25 jaar ontwikkelingssamenwerking (1975-2000) tussen Nederland en Suriname te onderzoeken. Zowel het onderzoek als de publicatie erover illustreert hoe moeizaam de betrekkingen tussen Nederland en Suriname zijn. De Surinaamse regering en de president persoonlijk werkten het onderzoek tegen. Toen het rapport eind 2001 gereed was, werd het niet gepubliceerd. Pas nadat de Surinaamse regering aanzienlijke wijzigingen had afgedwongen, kwam het begin dit jaar officieel uit. Onder druk van de Tweede Kamer is in Nederland ook de oorspronkelijke versie vrijgegeven. Hoewel het officiële rapport allesbehalve lovend is over de Nederlandse inbreng in de ontwikkelingssamenwerking en harde noten kraakt over de opstelling van Suriname, is met name de kritiek op de Surinaamse kant is gekuist.

De oorspronkelijke versie van Een Belaste Relatie beschrijft de samenwerking tussen de voormalige kolonie en het voormalige moederland als gekenmerkt door ,,stroefheid en wantrouwen, irritatie uit onmacht en het uit de weg gaan van discussies over langetermijneffecten, adequatie en duurzaamheid''. En voorts: ,,Om ruzie te vermijden speelt men mooi weer en belijdt men in het openbaar een niet of nauwelijks bestaande `vriendschap'. Suriname's ontvangststructuur is in hoge mate deficiënt en Nederland tracht dat op te lossen door ingewikkelde adviesconstructies of omvangrijke hulp (...) in een situatie waar de Surinaamse overheid niet wil of kan hervormen.'' In het officiële rapport wordt volstaan met: ,,Tegenover de enkele successen staan de vele hele en halve mislukkingen en de programma's en projecten waarbij men in ieder geval vraagtekens plaatst.'' Ook wordt geconcludeerd dat de resultaten pover zijn en dat men zich er slechts over kan verbazen dat ,,zoveel megaprojecten in uitvoering zijn genomen op basis van zoveel ruzies en zulke dunne dossiers''.

Wrok, wantrouwen, stroefheid en starheid van de omgangsvormen hebben de ontwikkelingsrelatie beheerst. Bovendien leidden de binnenlandse Surinaamse ontwikkelingen drie keer tot eenzijdige stopzetting van de Nederlandse hulp. Voor een land dat zich goeddeels van het hulpinfuus afhankelijk heeft gemaakt, is dat dramatisch. Voor Nederland is de verspilling van het hulpgeld in Suriname een bewijs van onvermogen.

Met recht stelt het rapport vast dat Suriname én Nederland er goed aan doen een einde te maken aan de belaste ontwikkelingsrelatie uit het verleden. De tussenstop van Venetiaan in Nederland was een uitgelezen gelegenheid geweest om met Nederlandse bewindslieden de onverkwikkelijke gang van zaken met het rapport glad te strijken en daadwerkelijk een begin te maken met normale betrekkingen tussen twee landen die tot zekere hoogte tot elkaar zijn veroordeeld. Dat het zelfs niet tot een beleefdheidsontmoeting tussen Venetiaan en Balkenende of een kopje thee met de koningin is gekomen, onderstreept hoe belast de relatie nog altijd is.