Stille oorlogsheld

Een dikke, donkerhouten deur draait langzaam naar mij toe. De hoofdingang van een kubus opent zich. Als ik binnen sta, wordt mijn aandacht verrassend genoeg op de buitenwereld gevestigd. Dat moet de architect Rem Koolhaas voor ogen hebben gestaan, vermoed ik. Een transparant gebouw realiseren dat ons in staat stelt Berlijn beter te begrijpen. En ik moet zeggen, het is een event, een Ereignis zo u wilt, met bijna on-Nederlandse allure. Afgelopen dinsdag werd de Nederlandse ambassade aan de Klosterstrasse officieel geopend.

Psychogeographie noemt de Franse architectuurcriticus François Chaslin zo'n wisselwerking met de omgeving (in: The Dutch embassy in Berlin by OMA/Rem Koolhaas). De ambassade zou een ietwat verlaat antwoord op een politieke situatie en een historische context zijn. Een karakteristiek Nederlandse reactie van openheid en transparantie op een herenigd Duitsland dat worstelt met zijn lugubere verleden. Als het gebouw een antwoord is op het verleden van Berlijn, is dan de diagonale corridor die de ambassade doorkruist en uitzicht biedt op de legendarische Fernsehturm een antwoord op het communisme? De televisietoren was tenslotte het jarenlange symbool van de DDR. Of is het een antwoord op het nationaal-socialisme dat eerder heerste op de Alexanderplatz, ooit het centrum van de Groszstadt?

Ik kan deze archi-spraak interpreteren zoals ik wil. Is de huidige ambassade niet ook de belichaming van vroegere Nederlandse gezantschappen in Duitsland? Met illustere figuren als de schrijver-diplomaat Van Oudshoorn, die zijn dagen vooral doorbracht in het Romanisches Café in plaats van het gezantschapsgebouw aan de Vossstrasse dat het veld moest ruimen voor Hitlers expansiedrift. Met de diplomaat-schrijver F. Springer die `onze man' in de DDR was. Of met de man die ons land tijdens de Tweede Wereldoorlog in Berlijn diende: Adrianus Millenaar. Een man die, mijns inziens, speciale aandacht verdient in de Nederlandse diplomatieke geschiedenis. In 1928 neergestreken in Berlijn, was hij al spoedig secretaris van de vereniging Nederland en Oranje. Hij kende de Nederlandse gemeenschap als zijn broekzak.

Toen de oorlog uitbrak en gezant jonkheer Haersma de With het gezantschapsgebouw aan de Rauchstrasse moest verlaten, trad een diplomatiek unicum in werking. Millenaar werd gevraagd in het hol van de leeuw te blijven als personeelslid van de Beschermende Mogendheid Zweden. Van hem werd verwacht dat hij de belangen behartigde van de ruim honderdduizend Nederlanders die op dat moment in Duitsland woonden, een aantal dat tijdens de oorlog zou aangroeien tot zo'n half miljoen, vooral gevangenen.

Adrianus Millenaar schreef memoires die merkwaardig genoeg nooit uitgegeven zijn. Zijn zoon Henk Millenaar toont me een lijst waarop de naam van zijn vader meermalen prijkt. Onder de vleugels van de Zweedse gezant, die de lijst opstelde, bezocht hij regelmatig Nederlandse krijgs- en civiele gevangenen. In de beruchte politiegevangenis Alexanderplatz, in de concentratiekampen Sachsenhausen en Buchenwald, in de krijgsgevangenenkampen Colditz en Stanislau. Soms lukte het om ze vrij te krijgen, maar vaker moest hij met minder genoegen nemen. Als hij in het kamp was, toonde hij zijn betrokkenheid. De zakken van mijn jas zijn leeg, fluisterde hij gevangenen in het oor, om vervolgens tientallen briefjes naar buiten te smokkelen en naar familie door te sturen. Openlijk kon hij nauwelijks steun verlenen. Hij had tenslotte te maken met de Gestapo die niets van zijn humanitaire activiteiten moest hebben.

De druk op Millenaar werd allengs groter en in januari 1944 ontving de Zweedse gezant een protestbrief van het Auswärtige Amt waarin Millenaar een veeg uit de pan kreeg. Tegelijkertijd kreeg Millenaar via zijn advocaat de waarschuwing dat hij zou worden gearresteerd als hij zich ooit weer op de burelen van de Gestapo zou vertonen. Hij zou brieven van en aan joden hebben verzonden. Slechts ingrijpen van de Zweedse gezant op het hoogste niveau wist deze maatregel ongedaan te maken.

Millenaar was inmiddels verhuisd naar het even buiten Berlijn in Biesenthal gelegen landgoed Neue Mühle, eigendom van freule Wttewaal van Stoetwegen. Een aanlegplaats voor vluchtelingen die er zaten ondergedoken, terwijl SS'ers, familieleden van Millenaars Duitse vrouw, zich bovengronds bevonden. Maar er kwamen ook gevluchte Nederlandse gevangenen langs die vreesden door de oprukkende Russen te worden neergeschoten omdat ze geen papieren bezaten. Om hun van dienst te zijn leende Millenaar een typemachine met Russische letters op het kantoor van Paul de Gruyter, directeur van de Berlijnse vestiging van het levensmiddelenconcern De Gruyter, en stelde een brief op waarin de positie van deze Nederlanders werd verklaard. Voorzien van een stempel van de Zweedse ambassade vermenigvuldigde hij deze brief honderden keren en verstrekte hem aan wie het nodig hadden.

Op aandrang van zijn opdrachtgever, minister van Buitenlandse Zaken Van Kleffens, vertrok Millenaar in april 1945 naar Zweden. Zo gauw als kon keerde hij terug, verlangend naar Berlijn. Als lid van de Nederlandse Militaire Missie bij de Geallieerde Bestuursraad werd hij weer belast met de behartiging van de belangen van de in de gedeelde stad verblijvende Nederlanders. Zijn intrek nemen in de Rauchstrasse was onmogelijk. Het gezantschapsgebouw, getroffen door een bommentapijt, was van de aardbodem gevaagd. De grond, eigendom van de Nederlandse staat, werd in de jaren zeventig verkocht. Niemand kon bevroeden dat de Muur zou vallen, en dat Oost- en West-Berlijn nog eens de herenigd zouden worden. Ook Millenaar, die in 1964 bij zijn pensionering nog het Bundesverdienstkreuz door burgemeester Willy Brandt had opgespeld gekregen, kon dat niet voorzien. Hij heeft het ook niet meegemaakt, hij overleed in 1986.