Nieuw kiesstelsel is een `wegwerpsysteem'

CDA en PvdA willen het nieuwe kiesstelsel zo veranderen dat zij meer regio's kunnen controleren. Kleinere partijen zien weinig voordeel.

Het nieuwe kiesstelsel dat minister De Graaf (Bestuurlijke Vernieuwing, D66) voor de Tweede Kamerverkiezingen in 2007 wil invoeren, krijgt veel kritiek. Maar één groep betrokkenen bleef tot nu toe stil: de voorzitters van politieke partijen. Zijn zij enthousiast?

Nee, zo blijkt uit een – onvolledige – rondgang. Alle partijvoorzitters gaan binnenkort zelfs samen met de twee ministers van Binnenlandse Zaken, Remkes en De Graaf, overleggen over hun zorgen. Niet alleen over het kiesstelsel, maar ook over de invoering van de direct gekozen burgemeester, en de recent ingevoerde dualisering van het gemeentebestuur.

Het optelsommetje wordt sommige partijvoorzitters teveel. Volgens PvdA-voorzitter Koole lijkt het er op dat De Graaf, met zijn kiesstelselplannen, politieke partijen ,,nog zwakker wil maken dan ze al zijn''. GroenLinks-voorzitter Meijer spreekt van ,,een aanslag op het partijenstelsel''. CDA-voorzitter Van Bijsterveldt is ,,niet overtuigd'' door De Graafs kiesstelsel. SP-secretaris Jansen noemt het ,,een gimmick die misschien één keer werkt''. VVD-voorzitter Van Zanen vindt de plannen ,,heel ingrijpend'' maar houdt zich op de vlakte over de pro's en contra's zolang er geen besluiten zijn genomen. De Tweede Kamer spreekt binnenkort op hoofdlijnen over het nieuwe kiesstelsel.

Het zijn opvallende reacties, want De Graaf ziet ,,revitalisering'' van politieke partijen juist als voornaam doel van de hervorming, naast onder meer versterking van de persoonlijke herkenbaarheid van Kamerleden. Hij wil dat bereiken door de kiezer een tweede stem te geven, waarmee 75 regionale kandidaten uit ongeveer 20 districten kunnen worden gekozen. Voor de zetelverdeling tussen de partijen maakt de regiostem niet uit. Daarvoor blijft de eerste, landelijke stem bepalend.

De gevolgen voor politieke partijen zijn in elk geval verstrekkend. Gerrit Voerman, directeur van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen in Groningen, somde de verwachtingen onlangs tijdens een discussiebijeenkomst op. Kleine partijen maken minder kans op regiozetels dan grote, vooral als er een hoge regionale kiesdrempel komt. De Graaf overweegt die te leggen op enkele tienduizenden stemmen. Voor partijtoppen wordt het moeilijker om de kandidaatstelling te regisseren, denkt Voerman, dus partijorganisaties ,,regionaliseren''. Vooral backbenchers, onopvallende Kamerleden van grote partijen, kunnen prestige opbouwen als zij via een district in de Kamer komen, denkt Voerman. Maar het wordt allemaal wel duurder. Elke campagne kost volgens hem per district al gauw 50.000 euro extra voor een partij.

De grote partijen reageren anders dan de kleinere. PvdA en CDA hebben evenals D66 een tweede regionale stem in het verkiezingsprogramma staan. Koole en Van Bijsterveldt verwachten daarvan meer herkenbaarheid van kandidaten. Hun bezwaren gelden vooral de uitwerking van De Graaf. Van Bijsterveldt vindt 75 regiozetels in de Kamer ,,erg veel''. Bovendien acht zij een systeem met één afgevaardigde per district aantrekkelijker: ,,Dat is echt `onze man of vrouw' in Den Haag.'' Haar voorkeur strookt met een alternatief dat in de CDA-Kamerfractie circuleert, om dertig tot vijtig enkelvoudige districten te maken. Van Bijsterveldt opteert voor minder dan vijftig, zegt zij.

Wanneer districten slechts één afgevaardigde hebben, zullen kleine partijen minder kans maken. Ook PvdA-voorzitter Koole vindt één afgevaardigde niettemin ,,het meest helder''. Hij is niet voor het afschaffen van de evenredige vertegenwoordiging, zoals sommige Kamerleden van de PvdA willen, onder wie fractiespecialist Dubbelboer. Zij willen via winnaars in districten een meerderheidsblok in de Kamer krijgen, maar daarvoor is een grondwetswijziging nodig. Koole, politicoloog, verkiest een evenredig systeem, waarbij het zetelaantal van partijen overeenkomt met hun stemmenaandeel. Daarin komen nieuwe maatschappelijke stromingen sneller in de Kamer.

De Graaf bewaart de evenredigheid, maar schept volgens Meijer (GroenLinks) wel een ,,wegwerpsysteem'', omdat hij personen belangrijker maakt, ten koste van politieke meningsvorming door overleg. Zo komen kandidaten in de regio niet op een partijlijst, maar moeten zij op eigen titel hun zetel verdienen. Maar personen verliezen hun populariteit ook weer snel, meent Meijer. Koole vindt vooral het gebrek aan regels voor campagnefinanciering ,,volstrekt naïef''. Hij vreest dat het ,,grote geld bepalend wordt'' als de strijd kan gaan om wie de meeste aanplakbiljetten heeft. De voorzitters van GroenLinks en PvdA vrezen problemen om genoeg vrouwen en allochtonen in de fracties te krijgen. Koole denkt dat de PvdA ,,veel tijd'' moet hebben voor de kandidaatstelling, met eerst regionale ledenraadplegingen, en pas later samenstelling van de landelijke lijst, om een eventueel gebrek aan vrouwen en allochtonen te compenseren. Van Bijsterveldt denkt aan regionale ,,primaries'', als het stelsel het toelaat, om de partijdemocratie te verlevendigen.

Het meest ingrijpend zijn de gevolgen voor kleine partijen. Volgens Voerman is het interessant voor hen om in alle regio's mee te doen, voor de aandacht, ook al maken zij geen kans. Maar volgens Aldert de Vries, die als onderzoeker van het Ruimtelijk Planbureau de fictieve regiouitslagen van de verkiezingen van 2003 heeft berekend (zie kaart), kunnen kleine partijen wel degelijk in veel regio's zetels halen en maken zij daardoor ook het meeste kans op onevenwichtige fracties. Ook worden kleinere partijen benadeeld doordat niet alle districten evenveel afgevaardigden hebben. Jansen verwacht voor de SP echter weinig nadeel. De SP zal in regio's meedoen ,,als we denken dat het stemmen oplevert.''

Dit is het laatste deel van een korte serie over het kiesstelsel. De eerdere delen zijn na te lezen op www.nrc.nl