Land van ex-christenen en ex-marxisten

`Srebrenica' maakte een einde aan de illusie dat Nederland een gidsland kon zijn. Aldus historicus James Kennedy, die gisteren zijn oratie uitsprak.

De deconfessionalisering van Nederland sinds de jaren zestig, gevolgd door de ontideologisering onder Paars in de jaren negentig, hebben Nederland gemaakt tot een land dat vooral bevolkt lijkt te worden door ex-christenen en ex-marxisten. Dat betoogde gisteren de van oorsprong Amerikaanse historicus James Kennedy bij het uitspreken van zijn oratie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Anders dan de Amerikanen hebben Nederlanders, volgens Kennedy, in het verleden weinig aandacht besteed aan de deugden die nodig zijn voor goed burgerschap. Nederlanders hebben zich daarentegen meer gericht op deugden die voortvloeien uit hun passie voor het publieke welzijn in internationaal opzicht. Kennedy legt het verband tussen de geringe aandacht die Nederlanders in het verleden aan de dag hebben gelegd voor ,,goed burgerschap'' en ,,de verwarring in Nederland van de afgelopen paar jaren''. Die verwarring kwam volgens de historicus vooral voort uit ,,het gevoel dat er te weinig is geïnvesteerd in de publieke zaak''.

Kennedy schetst de ontwikkelingsgang van Nederland als moralistisch gidsland sinds de jaren zestig, totdat `Srebrenica' in juli 1995 ,,een einde maakte aan de hoge verwachtingen dat Nederland een gidsland kon zijn voor anderen''. Kennedy: ,,En de moorden op (de Zweedse premier, red.) Palme en Fortuyn hebben de flonkerende hoop in de gidslanden Zweden en Nederland gedoofd''.

Aan de hand van drie kernbegrippen – eerbied, vrijgevigheid en hoop – analyseert Kennedy de ,,collectieve ideeën in Nederland over deugden die het publieke belang dienen''. Het begrip eerbied heeft voor Nederlanders geen eenduidige betekenis. ,,Want aan de ene kant zijn de Nederlanders gehecht aan de plechtige herinnering van de Tweede Wereldoorlog en houden ze de Oranje-mythe in stand. Aan de andere kant hebben ze zich de laatste paar decennia afgekeerd van hun verzuilde verleden en een anti-traditionele houding ontwikkeld en een voorliefde voor vernieuwing die getuigt van weinig erkentelijkheid jegens het verleden.''

Vrijgevigheid brengt Kennedy in verband met de verzorgingsstaten in Europa. ,,Het is wel eens gezegd dat de Europese verzorgingsstaten eigenlijk een collectieve en bureaucratische uitdrukking zijn van een soort caritas. Wat de religieuze wortels ook zijn van de verzorgingsstaat, het lijdt geen twijfel dat dit een belangrijke en substantiële component is van de Europese sociale solidariteit, een vorm van vrijgevigheid.''

Het kernbegrip `hoop' verbindt Kennedy met het idee van Nederland als gidsland. ,,Het hele idee van een gidsland was, met al zijn pathos, arrogantie en illusies, gegrondvest op een hoop voor de wereld, de hoop om je inzichten over hoe het beter zou kunnen of hoe je trouw kan blijven aan je eigen identiteit met anderen te delen, om een baken van licht in een donkere wereld te zijn.''

Kennedy wil aan de hand van die kernbegrippen ,,de breedte van de morele discussie in de Nederlandse naoorlogse democratie peilen''. Zijn bronnen zijn niet alleen overheidsrapporten maar ook ingezonden brieven van burgers, parlement en padvinderij, gemeentepolitiek en ambtenarij, en de discussies in de onderwijswereld die hij de ,,kweekschool van het democratisch leven'' noemt.

Daarbinnen vervullen volgens hem de universiteiten een belangrijke rol. Zij moeten studenten ,,geschikt moeten maken voor de wereld en niet slechts voor hun eigen specialisatie'', vindt Kennedy. Academici moeten hun stempel op het publieke leven kunnen drukken. Kennedy: ,,Zo'n brede en gevarieerde opleiding stimuleert het intellect van studenten tot de ontwikkeling van een morele verbeelding, waardoor zij meer denken, meer doen en ook meer liefhebben.''