Lachen op foto's maakt deel uit van collectieve leugen

In zijn Opinie & Debat-bijdrage `Waarom lachten al die mensen in de twintigste eeuw zo geweldig?' (28 februari) werkt J.J. Peereboom een aantal mogelijke antwoorden op die cultuurfilosofische vraag over het lachen op foto's op een interessante manier uit.

Toch vergeet hij een voor de hand liggend antwoord verder uit te werken, namelijk de opkomst van de massaconsumptiesamenleving. Op de ietwat 19de eeuwse portretten van de Duitse fotograaf August Sander, uit de eerste decennia van de 20ste eeuw, zie je bijvoorbeeld nog de vele gradaties van zelfverzekerdheid en zelfs arrogantie op de gezichten van de geportretteerde beroepscategorieën uitingen van een nog openlijk erkende hiërarchisch gestructureerde samenleving. Een samenleving die echter al snel aan het veranderen was in de zogenaamd egalitaire massaconsumptiesamenleving waarin we tegenwoordig leven althans dat egalitaire proberen we elkaar voortdurend aan te praten (het maakt deel uit van de verkoopstrategie!), je zou het een sluier van gelijkheidsretoriek over onze samenleving kunnen noemen. Het allemaal lachen op foto's, dat deel uitmaakt van die sluier, moet dan ook opgevat worden als onderdeel van de collectieve leugen waarin wij leven, een cultuur waarin onder de vlag van `individualisering' (zeg maar op massaconsumptie en massamedianiveau) alle werkelijke `individualisme' (zeg maar het dagboekniveau) opgeofferd wordt.

Andere (even indirecte) uitingen van die leugen zijn de typische reclamemimiek van veel meisjes en jonge vrouwen in westerse landen (in vergelijking tot het authentieker aandoende gedrag van niet-westerse vrouwen althans mij als heteroman valt het vooral bij vrouwen op) en de harde trekken op de gezichten van mensen die dagelijks het land moeten doorkruisen met het openbaar vervoer, op weg naar of van hun werk. Allemaal blijken van dezelfde leugen dus, allemaal onderdeel van hetzelfde antwoord op dezelfde vraag.