Het is niet altijd leuk in Nederland

Volgens de parlementaire commissie integratie, de commissie-Blok, is de integratie in Nederland 'geheel of gedeeltelijk geslaagd'. Het merendeel van de immigranten doet het goed. Gesprekken met geslaagde immigranten, die zich zorgen maken over de verharding van Nederland.

'Antilliaan krijgt topfunctie bij ABNAmro. Die kop lees je nooit in de krant', zegt Luis Santine. 'Dat is namelijk geen nieuws.' Luis Santine (33), geboren en getogen op Curaçao, is Head of Knowledge Management van de bank MeesPierson. Ik ontmoet hem in de uitbundig gemarmerde entree van Mees in de Gouden Bocht van de Herengracht. 'Maar als Antilliaanse bolletjesslikkers worden gepakt, haalt dat wel altijd de krant, begrijp je? Ook al heeft dat er al twintig keer in gestaan dit jaar.'

'Wanneer ben je geïntegreerd?', vraagt Astrid Elburg (46) zich af. Elburg, geboren en getogen in Paramaribo, is freelance pr-adviseur en coach, heeft twee kleine kinderen en woont in de Amsterdamse rivierenbuurt op een steenworp van de Amsterdamse Apollolaan. Elburg: 'Wanneer is mijn integratie geslaagd? Als ik niet meer opval? Waar moet ik me aan aanpassen? Is Gretta Duisenberg geïntegreerd, die hier vlakbij woont? Ben ik niet al geslaagd als ik me gewoon heerlijk voel en niemand tot last ben?'

Arthur Kibbelaar (37), geboren op Curaçao, ergert zich enorm aan de toon van het integratiedebat. Kibbelaar is jurist (internationaal recht), volgde het 'diplomatenklasje' van Buitenlandse Zaken, werkte voor Bureau Buitenlandse Betrekkingen op Curaçao, de ambassade in Madrid en is nu voorlichter bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. 'De Nederlandse elite was nooit geïnteresseerd in integratie, ze kwamen ook nooit een migrant tegen, de liefde voor multiculturaliteit was heel oppervlakkig. Nu weten ze allemaal wel hoe het moet met de integratie. Ze gaan het wel even regelen. Die arrogantie! Hoe harder, hoe stoerder, hoe beter. De discussie wordt gereduceerd tot de probleemgevallen, de Marokkaanse en Antilliaanse jongens. Maar de verwarring is nog even groot als tien jaar geleden.'

Aysim Deveci (29) heeft het gevoel dat ze 'door de verscherping tussen de bevolkingsgroepen gedwongen wordt te kiezen, terwijl je het eigenlijk niet wilt.' Aysim woont sinds haar zevende in Nederland en werd geboren in de Turkse provinciestad Gaziantep. Ze woont nu bij Nijmegen, is meester in de rechten en directeur van het evenementenbureau Rythm Of Reason.

'Veel debatten blijven steken in het aanwijzen en benoemen, zijn niet gericht op oplossingen', zegt Ahmed Aboutaleb (42). Hij werd geboren in Marokko en volgde begin februari Rob Oudkerk op als wethouder sociale zaken van Amsterdam. 'Vorig jaar ontstond er bijna een nationaal debat over de burqa op school. Een overdaad aan aandacht. Dat betrof welgeteld drie dames. Terwijl niemand de groei van het tweede kans-onderwijs van allochtone vrouwen ziet. Of het feit dat steeds meer Turkse en Marokkaanse vrouwen rijexamen doen, ook een teken van emancipatie. Via de media krijg je het beeld dat de integratie volledig is mislukt. Dat is zo in strijd met de werkelijkheid. Een groot deel zit gewoon op school en heeft een baantje. Als je objectief naar de feiten kijkt over het onderwijs, de woningbouw, de werkgelegenheid, sport en cultuur, dan vertonen alle statistieken een opgaande lijn. Dat geldt grosso modo voor alle allochtone groepen. Maar het is not done om dat positieve signaal op te pakken. Het is stoer om te roepen dat het allemaal gefaald heeft. We zijn er nog lang niet. Er moet nog ongelofelijk veel gebeuren. De belangrijkste weg is, naar mijn gevoel, nog altijd het onderwijs.'

Dichter in Bagdad Onderwijzers speelden een essentiële rol in Aboutalebs eigen ontwikkeling. En dat begon al in Marokko. Hij werd geboren op 29 augustus 1961 in het dorp Beni Sidel in het oostelijke deel van het Rif Gebergte.

Toen Ahmednog een peuter was, ging vader Aboutaleb, een van de weinige 'geletterden' in de familie, zijn fortuin buiten Marokko zoeken en belandde uiteindelijk in 1963 in Den Haag. Het gezin in Marokko werd aan grootvader Aboutaleb toevertrouwd.

De lagere school in Beni Sidel liep tot en met de vierde klas. De meeste kinderen uit het dorp haakten daarna af. Aboutaleb, net als zijn vader voorbestemd dorpsimam te worden, had geluk. Op een dag kwam de dorpsonderwijzer langs om zijn grootvader te vragen waarom Ahmed nog niet was ingeschreven. Aboutaleb volgde de laatste twee klassen in het volgende dorp, zeven kilometer lopen verder. En daarna ook de middelbare school op een internaat. Aboutaleb was anders dan de meeste jongetjes. Hij wilde leren, wilde later dichter worden, in Bagdad gaan studeren. Als 'studiebol' was hij een buitenbeentje in het dorp, mocht niet meevoetballen met de andere jongens, kreeg soms klappen.

Op 17 oktober 1976 kwam het hele gezin naar Nederland. Ze arriveerden op Schiphol. De overgang van muilezel naar roltrap was enorm. 'We hadden nog nooit een roltrap gezien. Dat enorme vliegveld en die luxe waren fenomenaal.' Het gezin met vijf kinderen betrok een portiekwoning in de Haagse Molenwijk, etnisch een gemengde buurt. De bewoners waren laag geschoold. De verloedering lag al op de loer. Voor Aboutaleb, vijftien jaar, was de overgang rauw. 'Ik kan me herinneren dat ik enorm gehuild heb. Ik liep vaak doelloos door de buurt. In een schrift tekende ik een plattegrond om maar niet te verdwalen. Het viel me tegen hoe weinig mijn vader wist. Hij wist helemaal niets van het onderwijssysteem. Ik was radeloos. Wat moest ik doen?'

Van een Marokkaanse jongen uit de buurt hoorde hij, dat in zijn eigen straat vrijwilligers op maandagavond Nederlands gaven aan buitenlanders. Hij ging op eigen initiatief. De sfeer was er warm, de mensen waren echt geïnteresseerd. Overal in Den Haag werden dergelijke cursussen gegeven. Het was niet de bedoeling, maar ook daar ging hij naartoe. 'Zo had ik elke avond cursus.'

Aboutaleb ging elektrotechniek studeren op een christelijke technische school. En weer speelden onderwijzers een beslissende rol. 'De directeur, meneer Van der Wiel, zorgde met extra taallessen dat ik werd bijgespijkerd in het Nederlands. Ik vergeet hem nooit meer, net als mijn wiskundeleraar meneer Kaptein. Hij gaf na schooltijd extra lessen aan mij en een paar andere jongens, onder meer over ruimtevaart. Voor twee van ons was dat bepalend voor ons verdere leven.' Aboutaleb ging luchtvaarttechniek studeren op de Anthonie Fokkerschool in Den Haag en werd de eerste migrantenzoon die er afstudeerde. Vervolgens voltooide hij nog de hts, kwam in de journalistiek terecht (Radio Stad, Nos-radio, rtl Veronique), werd voorlichter van Hedy d'Ancona, bekleedde verschillende managementfuncties, was vier jaar directeur van Forum en vervolgens sectordirecteur bij de gemeente Amsterdam.

Het is Aboutaleb in de loop der jaren gaan opvallen dat zijn in Marokko geboren generatie het zo goed doet. 'Ik ken een longarts, een rechter, een topambtenaar bij het Europees Parlement, een internist, twee farmaceuten, een onderwijzer. Dat is toch wel frappant. Want die zijn allemaal met heel weinig ontwikkeling begonnen, zonder enige intellectuele achtergrond. Ook veel van de Marokkanen die nu op de universiteit zitten, zijn niet hier geboren, is me opgevallen. Hoe dat komt? Waarschijnlijk doordat wij die armoede hebben meegemaakt, dat wilden we nooit meer. Toen hebben we het licht gezien: ik was er heel jong van overtuigd dat ik moest leren. Maar het blijft voor mij een raadsel waarom de groep die in Nederland is geboren het relatief veel slechter doet. Onbegrijpelijk! Want ondanks alles hebben zij toch tien keer meer kansen dan wij toen hadden.'

'De Nederlanders waren behulpzaam toen we aankwamen. Er waren hele korpsen vrijwilligers', zegt Aboutaleb. 'De toewijding van leraren als meneer Kaptein was ongelofelijk. Maar ook de vrouw bij de bakker corrigeerde mijn Nederlands. Als je nu een krom foutje maakt, verbetert niemand je. Mensen waren nog bereid om zich voor je in te spannen.'

Aardig en gastvrij De meeste geportretteerden in dit verhaal bevestigen dat beeld van hulpvaardigheid. Een groot deel van de Nederlanders was in de jaren '60 en '70 blijkbaar aardig en gastvrij. Nazmi Türkkol (35), advocaat in Amsterdam-West, herinnert zich de verhalen van zijn moeder. 'Mijn moeder sprak geen woord Nederlands. Ze nam de bus om werk te zoeken, maar kon het adres niet vinden. Op straat klampte ze een wildvreemde vrouw op de fiets aan. Die zette haar fiets op slot en bracht mijn moeder met de bus helemaal naar de werkgever en reisde weer terug. Kijk! Dat soort dingen maak je tegenwoordig niet meer mee in Nederland.'

Nazmi Türkkol werd in Amsterdam geboren, woont in Osdorp samen met zijn Turks-Koerdische vriendin. Zijn ouders komen uit de Turkse provincie Cappadocië en kwamen in 1967 naar Nederland. Ze woonden aanvankelijk in Tilburg en vertrokken toen naar Amsterdam, waar vader Türkkol in de Ford-fabriek ging werken. Later haalde hij zijn lasdiploma en werkte hij jarenlang bij de ndsm in Amsterdam-Noord, tot hij een ongeval kreeg en in de wao belandde. Ook Fatima Haddouch (32) herinnert zich de gastvrijheid van Hollanders in de toenmalige Indische buurt in Amsterdam. Het gezin woonde tweehoog in de Niasstraat. De oudere Hollandse buurvrouw op éénhoog 'Dat was echt mijn oma in Nederland' vond het enorm sneu voor Fatima's ouders dat ze met de kinderen al die trappen op moesten zeulen. 'Zij stelde toen voor om van woning te ruilen. Dat is ook gebeurd. Zo ging dat toen nog. Als er wat was, kwam de buurvrouw aankloppen. Je had gewoon contact, ook al spraken mijn ouders nauwelijks Nederlands. Nu hebben mijn ouders totaal geen contact meer met hun buren. Er wonen ook bijna geen Hollanders meer in hun straat.'

Een warm bad De familie Kibbelaar kwam in 1969 in de stad Groningen terecht. Ze gingen in een middenklassewijk aan de rand van de stad wonen. Vader Kibbelaar ging biochemie studeren aan de Universiteit van Groningen. Voor Arthur Kibbelaar die er van zijn derde tot zijn tiende woonde, was het 'een warm bad'. 'Er woonden veel mensen die gestudeerd hadden, een vrij intellectuele progressieve omgeving. Er waren toen nog maar heel weinig Antillianen. Je was Antilliaan, maar de houding was heel positief. We werden gezien als het zwarte modelgezin, het Bill Cosby-effect. Je kreeg juist heel veel aandacht. We waren helemaal geïntegreerd in de buurt, sportclub en de school.'

Ronald Bijnaar (38), geboren in Suriname, heeft nooit te maken gehad met het Cosbyeffect. Hij leerde de Hollandse mores op straat. Bijnaar (hbo maatschappelijk-culturele vorming) is nu beleidsadviseur bij de deelgemeente Hoogvliet, waar hij ook woont met zijn Surinaamse vriendin en een dochtertje van twee. Bijnaar groeide op bij zijn oma in de volksbuurt Van Dijk in Paramaribo. Zijn ouders waren gescheiden en woonden beiden al jaren in Nederland, toen Bijnaar in 1976 op zijn elfde naar Nederland kwam. Hij arriveerde met Kerstmis en zag dat het sneeuwde. Wonderlijk vond hij het. 'De sneeuw viel heel langzaam, hij dwarrelde. Dat had ik nooit gedacht.' Dat was het enige dat langzaam ging, voor de rest was alles sneller, groter en ruimer. In Paramaribo had hij de hele Kameleon-reeks stukgelezen. Hij had een beeld van Nederland anno 1958, de onschuld nog niet verloren, met grote boerderijen, kippen, varkens en veldwachter Zwart. Maar hij belandde in het strakke Slotervaart (Amsterdam-West) met hoogbouwflats. Het was een schok. Je kon daar toen de Surinamers op de vingers van één hand tellen.

Hij ging er naar de basisschool. In Suriname was de wil van de onderwijzer wet. De meester was U. Geen discussies! Tot zijn verbijstering werd de meester in Amsterdam 'Hans' genoemd en riepen de leerlingen ook gewoon 'Oprotten!' tegen hem. 'Maar die gasten wisten ook wanneer ze het niet konden zeggen. Ik kende die codes niet, ik sloeg helemaal door. Dat heb ik echt moeten leren.' Het was de tijd dat Surinamers 'Sambo' werden genoemd, de tijd van de Suri-grappen: 'Wat is een Surinamer op een pijnbank? Trekdrop.' Die gasten in zijn klas riepen als ze boos waren: 'Rot op naar je eigen land.' In het begin werd hij steeds kwaad en ging hij matten. Maar hij kon wel bezig blijven. 'Later denk je: het lijkt een zware belediging, maar is dat nou zo erg? Ik merkte dat het niet bedoeld was om mij persoonlijk te beledigen. Belgenmoppen waren ook populair. En diezelfde jongetjes vroegen me even later ook of ik thuis bij ze kwam eten en of ik mee ging voetballen. Ik had heel veel Hollandse vriendjes, waar ik over de vloer kwam. Thuis had ik een stabiele omgeving. Ik heb een hele goeie, warme tijd gehad in Slotervaart.'

'Absoluut afschuwelijk'

Astrid Elburg kwam net als Bijnaar in 1976 naar Nederland. Ze was zeventien jaar. Ze ging bij haar moeder in de Indische buurt in Groningen wonen. 'Ik vond het absoluut afschuwelijk.' Elburg werkt nu als freelance pr-adviseur in Amsterdam en is daarnaast bestuurslid van Het Nationale Ballet en Het Muziektheater. Haar moeder en de andere kinderen waren al jaren eerder naar Nederland gekomen en hadden het prima naar hun zin. 'Maar ik vond het een afgang. Het was een heel asociale wijk waar heel veel allochtonen terechtkwamen. De onderkant van de samenleving. Ik kon me met niemand identificeren. Via een vriendinnetje kwam ik wel eens in dorpen als Rode School en Musselkanaal. Daar waren de mensen bang voor je en renden ze weg. Afschuwelijk! Ik dacht dat dát Nederland was. Ik heb me heel erg eenzaam gevoeld.'

Op haar werk, begin jaren '80, werd Elburg voor het eerst geconfronteerd met onversneden racisme. Een collega begon bij elke buitenlandse naam te schuimbekken. 'Hij liep met Mein Kampf te zwaaien, maar niemand nam het voor je op.' Uiteindelijk kwam Elburg via een Hollands vriendje in 1982 in Amsterdam terecht. Ze ging met hem samenwonen in de Bijlmermeer. 'Amsterdam heeft letterlijk mijn leven gered. In Amsterdam-Zuidoost woonden toen al veel Surinamers. Ik werd daar mens, ik kon ademhalen, ik werd begrepen en kon in de massa opgaan. Ik kwam thuis, voelde me er ontzettend gelukkig.' Fatima Haddouch (32) werkt als lerares maatschappijleer op het Montessori College, een vmbo-school in Amsterdam-Oost. Haddouch kreeg die positie bepaald niet in de schoot geworpen. Haar vader, sinds 1969 in Nederland, liet zijn gezin in 1973 uit Marokko overkomen, toen Fatima twee jaar oud was. Vader Haddouch was vliegtuigschoonmaker op Schiphol, tot hij vijftien jaar geleden een ongeluk kreeg en in de wao terechtkwam.

Het leeuwendeel van Fatima's leven speelde zich af in de Indische buurt in Amsterdam-Oost. Haar ouders waren traditioneel. School en studie waren voor meisjes niet vanzelfsprekend. 'Het werd niet ronduit gezegd, maar men verwachtte dat je op je achttiende ging trouwen. Veel Marokkaanse meiden worden trouwens al op hun zestiende uitgehuwelijkt.'

Haar vader was streng. Fatima mocht bijvoorbeeld niet bij vriendinnetjes logeren. 'Schoolreisje naar Parijs? No way! Uitgaan? Uitgesloten. Na school ging je meteen naar huis.' Ze kwam nauwelijks de buurt uit. Op haar zestiende had ze nog nooit in een bus of een tram gezeten. 'Ik wist niet hoe dat werkte, voelde me echt gehandicapt.'

Na de basisschool ging Fatima naar een lbo in de buurt, een modevakschool. Daarna wilde ze wel doorleren, net als haar beste vriendin Touria, haar grote voorbeeld. 'Zij had een zus die zelfs op het vwo zat.' Op dezelfde modevakschool bleek een mbo te zijn. Haar ouders gaven toestemming, omdat ze dan in de buurt bleef. 'Hetzelfde gebouw, dezelfde buurt, altijd bij elkaar.' Fatima en Touria waren nog de enige Marokkaanse meiden op de mbo van de modevakschool. Alle anderen waren al gaan werken of getrouwd.

Na het eindexamen mbo kwam de volgende horde. Fatima wilde lerares worden, ze wilde naar de lerarenopleiding Textiele Vormgeving, de Witte Lelie. Maar die was wel in de stad. 'Hoe moest ik dat brengen thuis? Al die jaren was onduidelijk gebleven, wat er zou gebeuren als ik van school kwam. Ik had koud eindexamen gedaan en hoppa ... stonden er al weer huwelijkskandidaten voor de deur. Op je negentiende ben je in onze kringen al bijna een oude vrijster.' Ook in de jaren daarvoor kwamen op gezette tijden familieleden, soms ook wildvreemden, om de hand van Fatima vragen. 'Heel lang zie je dat uithuwelijken als iets vanzelfsprekends. Zoals de zon die opkomt en ondergaat, zoals het dag en weer nacht wordt.'

Een dramatische ontwikkeling maakte alles anders. In het gezin Haddouch voltrok zich jarenlang een familietragedie. Haar ouders kregen in totaal veertien kinderen, drie jongetjes en twee meisjes overleden op jonge leeftijd aan een stofwisselingsziekte. Toen er weer een broertje aan de ziekte stierf, hoorde Fatima van twee vroedvrouwen voor het eerst dat de ziekte erfelijk was. Dat zette haar aan het denken. Het was een tweesprong in haar leven: 'Laat ik mijn vader beslissen over met wie ik trouw? Of ga ik mijn eigen weg? Er was geen grijs, alleen zwart of wit. Alle Marokkaanse meiden van mijn leeftijd die ik kende, waren getrouwd en ook uitgehuwelijkt.'

Eindeloze discussies Ze moest ook nog die kwestie van dat doorstuderen uitvechten. 'Ik had eindeloze discussies met mijn vader. Hij was boos, zwaar teleurgesteld. Er waren tijden dat we elkaar helemaal niet spraken. Studeren betekende: niet trouwen. Uiteindelijk heb ik zelf de knoop door gehakt.' Al die jaren had Fatima een innige band met haar ouders en was ze als oudste dochter nauw betrokken bij de opvoeding van haar jongere zieke broertjes en zusjes. Ze was eigenlijk onmisbaar in het grote gezin. 'Als ik was gaan trouwen, had ik niet kunnen helpen. Dat was mijn redding.'

Op haar 25ste was ze aan het afstuderen op de lerarenopleiding en kreeg ze een eigen woning aangeboden. Ook toen moest ze opnieuw in de slag met haar ouders om toestemming te krijgen. 'Stapje voor stapje kreeg ik meer vrijheid.' Op 13 december vorig jaar trouwde ze met Ismaël. 'Toevallig de ideale Marokkaanse man.' Ze gingen in Slotermeer wonen. 'Het klinkt belachelijk, maar dat was een wereldreis voor mij.'

Weg uit de Indische buurt, afstand doen van thuis, ze heeft er moeite mee, maar is ook trots op zichzelf. 'Ik heb mezelf eigenlijk vrijgemaakt. Ik heb geen verwijten. Dat vechten is juist goed geweest. Maar voor heel veel Marokkaanse meiden is het erg moeilijk om te komen waar ze willen. Veel meiden sneuvelen voortijdig, vechten tegen de bierkaai. Marokkaanse jongens en meiden zouden veel verder komen, als onze achtergrond en gezinssituatie niet zo ingewikkeld was. Voor mijn ouders ben ik nu een voorbeeld. Ze zijn trots op me. Mijn vader zei vroeger: jullie zijn meisjes met een broek aan. Tegen mijn jonge zusjes zegt hij nu: doen jullie wel je best op school?'

De kentering Begin jaren '80 kwam volgens de meesten in dit verhaal al de kentering in de houding van veel Nederlanders en ook van de migranten. 'In die tijd drong het tot veel Nederlanders door: Godverdorie, ze gaan niet terug!', zegt Fatima Haddouch. 'Halverwege de jaren '80 begonnen ook de gezinsherenigingen. Dat was heel confronterend. In plaats van minder kwamen er steeds meer. De scholen veranderden van kleur. Van drie ging het naar 30 procent. Dat was beangstigend. Ik zag opeens cd op de stoeptegels in Amsterdam-Oost staan.'

Ook de massale werkloosheid begin jaren '80 speelde volgens Nazmi Türkkol een essentiële rol. 'Dat betekende een omslag in het denken over gastarbeiders en ook in de houding van de migranten zelf. Als je werkt, zit je in die samenleving, leer je Nederlands. Aanvankelijk was de generatie van mijn vader volledig op de Nederlandse samenleving gericht. Toen de gastarbeiders massaal in de ww en wao terechtkwamen, zag je de opkomst van Turkse moskeeën, koffiehuizen en winkeltjes. Je zag de integratie tot stilstand komen. De taalvaardigheid ging achteruit. Mijn ouders spraken vroeger beter Nederlands dan nu.'

De Türkkols woonden jarenlang in de Schinkelbuurt in Amsterdam-Zuid, een heel gemengd buurtje. 'Mijn ouders hebben nog steeds contact met de Hollandse buren die ze toen hadden. Met latere buren hebben ze nooit echte vriendschap kunnen sluiten. In de jaren '80 kwam de eerste grote stroom vluchtelingen. De Turkse gemeenschap was flink gegroeid. Je kreeg veel meer het wij-en-zij-denken, zowel bij de Nederlanders als de Turken. Vroeger werd mijn vader met u aangesproken, toen werd het je.'

Nazmi ervoer die omslag aan den lijve, toen hij van de lagere school kwam. Hij wilde advocaat worden, en zijn Cito-toets gaf havo/vwo aan. 'Maar het hoofd van mijn lagere school vond dat ik naar de lts moest. Turken werken met hun handen. Jullie gaan toch terug, aan het atheneum heb je niks. Hij is twee keer bij ons thuis geweest om mijn vader ervan te overtuigen, dat ik de grootste fout van mijn leven ging maken.' Vader Türkkol legde zich niet neer bij het advies en zocht zelf een school, het Amsterdams Lyceum dat Nazmi succesvol doorliep. 'Als ik niet zo'n sterke vader had gehad, was het heel anders met me afgelopen.'

Nazmi's verhaal komt Aysim Deveci bekend voor. Haar man Recep, een Turkse Nederlander, kreeg ook zo'n lts-advies. 'Ik denk dat ze daarmee veel kapot hebben gemaakt bij de generatie van dertigers.'

Arthur Kibbelaar werd eind jaren '70 al geconfronteerd met een hoofdonderwijzer die ondanks zijn goede cijfers geen vwo-advies wilde geven. 'Mijn vader was furieus.' Het gezin was een paar jaar eerder van Groningen naar Nijmegen verhuisd, waar zijn vader aan de universiteit bij de vakgroep Klinische Chemie werkte en promoveerde. De Kibbelaars woonden in Nijmegen, net als in Groningen, in een blanke 'bevoorrechte' buurt. Arthur bezocht een 'vrij elitair en progressief' atheneum, had een rijk sociaal leven, deed aan cabaret en atletiek, leerde piano spelen. Zijn vader promoveerde deels in Parijs, ze gingen reizen. Het was een voortzetting van het Cosby-effect in Groningen, maar dan een slag Bourgondischer.

Maar op dat progressieve atheneum werd hij zich ook voor het eerst bewust, dat hij één van de weinige zwarte scholieren was. Het was begin jaren '80, een jaar voordat de Kibbelaars naar Curaçao terugkeerden, tijdens de opkomst van de Centrum Partij. 'Er ontstond een hevig debat over de deelname van de cp aan de schoolverkiezingen. Dat werd heel emotioneel. Plotseling was alles niet meer koek en ei. Het handjevol gekleurde scholieren voelde zich aangesproken op hun buitenlander zijn. Dat was het begin van de bewustwording van wij-en-zij. De eerste dissonanten.'

Bicultureel Ondanks de dissonanten voelen alle acht zich thuis in Nederland. Maar ze ergeren zich soms mateloos aan het integratiedebat, zoals zich dat de laatste jaren ontrolt. 'Ik heb het altijd toegejuicht dat alles besproken kon worden', zegt Ahmed Aboutaleb, 'Maar met één doel: het zoeken naar oplossingen. Ik heb er een broertje aan dood dat men zomaar wat gaat roepen vanwege het electorale gewin.'

Ook Aysim Deveci apprecieert het tegenwoordige debat. Maar 'door de verscherping tussen de bevolkingsgroepen' voelt ze zich sinds een paar jaar ook minder thuis in Nederland. Twee vriendinnen en haar broer keerden al terug naar Turkije. 'En je hebt het gevoel: al leven we hier duizend jaar, er blijft toch een kloof. Of dat aan de autochtonen of allochtonen ligt, laat ik in het midden. Ik heb afgestudeerde vriendinnen die Hollandser dan de Hollanders zijn. Maar als zij gaan solliciteren naar een managementfunctie, wordt hun gevraagd wat ze van hoofddoekjes vinden. En of ze die mooie sollicitatiebrief wel echt zelf geschreven hebben.'

Aysim Deveci was zeven toen ze in 1981 naar Nederland kwam. Ze groeide op in het dorp Westervoort bij Arnhem, waar de Deveci's het enige Turkse gezin waren. Deveci herinnert zich het warme onthaal door de buren in het dorp. 'Ik heb een hele fijne, warme jeugd gehad. Die negatieve verhalen van nieuwkomers herken ik niet.' Deveci en haar jongere zusje bezochten de plaatselijke lagere school en spraken binnen een jaar goed Nederlands. In Arnhem doorliep ze het atheneum en ging daarna rechten studeren. Dat ze in een overwegend Nederlandse wereld opgroeide ziet Deveci als een voordeel, maar zo rond haar zeventiende realiseerde ze zich dat ze ook iets essentieels miste. Ze zocht bewust contact met 'Turkse meiden', ze wilde graag vriendinnen met wie ze Turks kon praten. Hoewel haar vriendenkring heel gemengd is, bleef dat verlangen naar een Turkse identiteit. Eigenlijk gaat het om een nieuwe dubbelidentiteit. 'We delen een eigen geheime taal met elkaar. We spreken Turks en Nederlands door elkaar. Per zin wissel je soms wel drie keer van taal. Het heeft ook te maken met een bepaalde vanzelfsprekendheid. Je hoeft dingen niet uit te leggen.'

Maar het beeld is complex. 'Ik kan als vrouw niet in een Turks koffiehuis gaan zitten. Het is niet verboden, maar dat doe je niet. Ik kan ook niet zonder begeleiding naar een Turkse discotheek. In Nederland zit ook een hele groep jonge Turken die erg conservatief is. Binnen hun eigen culturele identiteit is helemaal geen ruimte voor westerse elementen. Je hebt een hele groep mannen die uitgaat, terwijl hun vrouw thuis zit, en alle vrouwen als hoeren bestempelen. Ik vind dat schandelijk. Dan heb je de groep waar ik bijhoor, die al zo ver is, dat ze die hele discussie over integratie niet meer willen horen. Dat zijn allemaal verschillende versnellingen. Ik denk dat de meiden zich sneller ontwikkelen. Mijn zusjes en ik hebben onze ouders moeten heropvoeden. Dat je bijvoorbeeld geen slechte vrouw bent, als je alleen op kamers gaat wonen.'

Tolerant

Nazmi Türkkol was de enige Turk op het Amsterdams Lyceum. Hij was vastbesloten om zich helemaal te richten op de Nederlandse samenleving. Pas dan kon je slagen, werd je niet gediscrimineerd. Tot die lts-actie van zijn hoofdonderwijzer had Türkkol zich eigenlijk ook nooit 'anders' gevoeld. 'Ik heb dat tot het eindexamen volgehouden. Ik realiseerde me toen dat ik toch nooit helemaal geaccepteerd zou worden.' Tijdens discussies riep hij wel eens dat hij burgemeester van Amsterdam wilde worden. 'Dat vond men echt belachelijk. Ik was toch Turk?' Ook al is hij nu advocaat, nog steeds komt hij soms een discotheek niet binnen. Of hij staat met een leuk meisje te praten en die merkt plotseling dat hij Turks is. 'Je voelt het bevriezen. Opeens ben je een moslim. Gevaar! Je wordt dagelijks geconfronteerd met je Turkse achtergrond.' Tijdens zijn studie ging hij zich dan ook bewust op de Turkse cultuur richten, werd lid van een Turkse studentenvereniging, leerde goed Turks spreken. 'Ik miste ook iets.'

Over het 'wij zijn toch tolerant' van de Hollanders maakt hij zich altijd boos. 'Het beeld is dan: wij gedogen jullie. Tijdens de opkomst van Fortuyn bleek ook wel hoe flinterdun die tolerantie was, hoe veel extremer en harder het wij-en-zij-denken is. Het gaat niet om tolerantie, het moet gaan om waarachtige interesse in elkaar. Daarbij moeten zowel allochtonen als autochtonen open zijn, kritisch naar hun eigen cultuur kijken en zich daarin ook ontwikkelen. Ik heb dat gedaan. Ik heb de goede dingen van beide culturen overgenomen. Natuurlijk moet je de belangrijke culturele normen van deze samenleving accepteren. Man en vrouw zijn gelijkwaardig, niet door rood rijden, je mag niet iemand vermoorden. Daar is geen discussie over. Maar besnijdenis voor jongetjes, mag dat wel of niet? Als dat voor niemand nadelige gevolgen heeft, waarom zou dat dan niet kunnen?'

Hollandse schoonouders

Ondanks de afschuwelijke start in Groningen voelt Astrid Elburg zich nu 'absoluut' thuis in Nederland. Ze is heel gelukkig in Amsterdam, zou nergens anders willen wonen. Haar vriendenkring bestaat grotendeels uit Hollanders. Keiharde discriminatie maakte ze eigenlijk nooit meer mee, maar ze wordt nog wel steeds 'gewogen'. Na de Bijlmer ging ze op de Kennedylaan in Amsterdam-Zuid wonen, lelieblank en 'op stand'. 'Je voelt toch dat je een buitenstaander bent, je moet steeds laten zien dat je tot de goeien hoort.'

Ook is er het fenomeen van de Hollandse schoonouders. Elburg had tweemaal een relatie met een Nederlander. Van één stel schoonouders houdt ze zielsveel. 'Maar veel Hollandse ouders huiveren bij de gedachte dat hun kinderen met een allochtoon thuiskomen. Het maakt niet uit hoe beschaafd, goed opgeleid en ingeburgerd je bent, je bent nooit goed genoeg voor hun zoon of dochter. Veel alloch-tonen met een blanke partner zullen dat herkennen. Ongewild kom je in de positie dat je moet vechten voor acceptatie. Maar ik hoef helemaal niet geaccepteerd te worden. Ik wil dat mensen me respecteren voor wat ik ben.' Elburg ziet ook het tegendeel van samensmelting, de neiging tot segregatie. 'Groepen willen ook vaak dolgraag bij elkaar wonen. Mensen onderschatten dat. Ik voelde me heel gelukkig in de Bijlmer. Er bestaat vaak het beeld dat het zo leuk toeven is onder Nederlanders. Dat is dus niet altijd zo.' Op de vrijwel 'blanke' Montessori-school in de buurt, waar haar kinderen op zitten, ziet Elburg die terugtrekkende beweging ook bij Hollanders. 'Ik hoor van Hollandse ouders, dat ze hun kinderen naar bepaalde sporten sturen, zoals hockey. Want daar krijgen ze hun eerste vriendjes en er komen geen allochtonen. Dus Hollanders scheppen ook hun eigen blanke plekken.'

De Antilliaan Luis Santine kent die blanke plekken uit eigen ervaring. Hij studeerde zes jaar bedrijfskunde in Washington en werkte een jaar in New York bij de Rabobank. Zes jaar geleden kwam hij naar Nederland om bij de Rabobank in Utrecht te werken. Na New York, waar ook de wereld van de 'professionals' al hoog en breed multicultureel is, vond hij de Hollandse monocultuur bij de Rabobank shocking. Santine gleed soepel de Nederlandse samenleving binnen. 'Het scheelt ook dat mijn vrouw Nederlandse is.' Hij voelt zich thuis, vooral in Amsterdam. Hij heeft nooit het gevoel dat hij gediscrimineerd wordt, wel dat hij zichzelf altijd moet blijven 'verklaren'. Santine is blank en hoort vaak: 'Je ziet er niet uit als een Antilliaan, je spreekt wel erg goed Nederlands, hoe komt dat? Curaçao, dat ligt toch bij Indonesië?'

Arthur Kibbelaar was drie toen hij Curaçao verliet, en vijftien toen hij terugkeerde. Dat was onwennig en vreemd, hij was de zwarte jongen met een zachte g en realiseerde zich hoe Nederlands hij eigenlijk was. Toen hij in 1984 op zijn achttiende weer naar Nederland kwam om te studeren, was hij Antilliaan geworden. 'Nederland is mijn vader, Curaçao mijn moeder. Punt!' Hij heeft nu heel bewust de keuze gemaakt om in Nederland te leven, te wonen en te werken. Hij voelt zich thuis. Maar door Curaçao is hij anders tegen Nederland aan gaan kijken. Nederland was harder geworden, meer naar binnen gericht, had zijn onschuld verloren. Hij beleefde ook momenten van totale verbijstering, zoals met de opkomst van Fortuyn.

'Natuurlijk was Fortuyn een manifestatie van iets dat veel breder leefde, maar ik vond het zo goedkoop om hem als de held te zien die het allemaal wel durfde te zeggen. Maar ik ben blij met het debat. Dingen worden duidelijk. Lang werd gedacht dat hier geen racisme en discriminatie waren. Maar de Nederlandse samenleving, net als die van Curaçao, is doordrenkt van racisme. Alleen willen we het hier niet zien. We praten eigenlijk niet over de verwarring die Nederlanders diep raakt: de confrontatie met een opkomende zwarte samenleving. Want het Nederlandse zelfbeeld is nog steeds blank. Dat beeld is op zijn grondvesten aan het schudden. En we ontberen een gemeenschappelijke visie op hoe het nou verder moet.'

De probleemgevallen

Vrijwel iedereen die ik voor dit verhaal spreek, wordt ook steeds weer aangesproen op de 'probleemgevallen'. 'Ik hou me helemaal niet bezig met het feit dat ik Antilliaan ben', zegt Santine. 'Maar als men merkt dat je Antilliaan bent, wordt het al snel persoonlijk. Dan word je al snel ter verantwoording geroepen over die klote Antillianen of Marokkanen. Waarom? Ik bezorg niemand last, ben er helemaal niet verantwoordelijk voor.'

'Na elk incident met een Turk of een Marokkaan', zeg Nazmi Türkkol, 'is het steeds weer afwachten of het niet gaat escaleren. Daar ben ik wel bang voor, ja.' Ook Fatima Haddouch vreest een escalatie. 'Als er iets gebeurt dat veel ophef veroorzaakt, ben je toch opgelucht als er geen allochtonen bij betrokken blijken te zijn.'

Maar Haddouch constateert ook dat er in haar eigen kring eigenlijk vooral gezwegen wordt over de 'probleemgevallen'. Op haar vmbo-school in Amsterdam-Oost is 98 procent van de leerlingen allochtoon, grotendeels Marokkaanse jongens. 'Er is gewoon een groot probleem met een deel van die jongeren. Het is een drama. Ik vind het verbijsterend, ik weet ook niet waar het vandaan komt. Maar in eigen kring wordt er niet over gepraat. De buurt weet het, de ouders doen alsof hun neus bloedt. Een deel van de ouders zit negen maanden per jaar in Marokko, misschien is dat het. Zelfs als die jongens een duidelijke regel overtreden, krijg je nog een grote bek. Gaan ze je de les lezen. Hoe kan dat? Laten we duidelijk zijn: ook bij ons is het een enorm taboe om iemand dood te schoppen. Dus dan ga je dat maar ontkennen, want dan bestaat het zogenaamd niet. Er heerst een cultuur van ontkennen en liegen. Ze zullen het probleem nooit onder ogen zien.'

'Als Amsterdammer schaam ik me voor die jongens. Als mensen steeds weer zien dat ze op die manier in het nieuws komen, kun je het de Nederlanders niet kwalijk nemen dat ze zich gaan distantiëren. Je kunt toch niet zien wie de goeien en de slechten zijn? Waar er vroeger nog contact en vertrouwen was, is dat nu verdwenen. Dat is het drama. Het is enorm jammer dat het zo de boventoon voert. Vooral voor de jongens die nog moeten komen. Mijn broertje van dertien zal het niet makkelijk krijgen, ook als hij geen vlieg kwaad doet.'

Paul Andersson-Toussaint schrijft regelmatig voor M.

Jildiz Kaptein is fotograaf.

[streamers]

'Het blijft voor mij een raadsel waarom de groep die in Nederland is geboren het slechter doet'

'We werden gezien als het zwarte modelgezin, het Bill Cosby-effect. Je kreeg veel aandacht'

'Ik heb mijzelf eigenlijk vrijgemaakt. Ik heb geen verwijten. Dat vechten is juist goed geweest'

'Ik heb een fijne warme jeugd gehad. Die negatieve verhalen van nieuwkomers herken ik niet'

'Mijn broertje van dertien zal het niet makkelijk krijgen, ook als hij geen vlieg kwaad doet'