Het behoud van een jongen

In deel 6 van de serie Italiaanse klassieken op dvd dit keer Il Posto van Ermanno Olmi. Het verhaal is snel verteld. Een klerk op een kantoor, een kortstondige flirt. Dat is alles. Maar er is oneindig veel meer.

Hoe oud zal hij zijn, deze Domenico, met zijn hoofd zo klein op zijn schouders en zijn hals zo dun boven de kraag van zijn overjas? Een jaar of zeventien, schat ik, maar het kan net zo goed een jaartje minder zijn. Een schuchtere dorpsjongen, voorzichtig, onbevangen, naïef. Ernstig, maar niet zo dat hem nooit een lachje overvalt. Hij zegt weinig, zijn gezicht spreekt voor hem. Een wenkbrauw reageert, een mondhoekje trekt, een neusvleugel trilt, een voorhoofd rimpelt. En er is veel wegen weer terugkijken, in zijn grote vriendelijke ogen schieten zijn pupillen heen en weer als visjes.

Vandaag neemt hij de trein naar Milaan voor iets dat je zou kunnen omschrijven als een 'sollicitatie-examen'. Als hij slaagt, verovert hij in een chroom-glas-marmergebouw een vaste betrekking, een 'posto sicuro' voor zijn hele leven, zijn vader zegt het zelf.

Il posto, zo noemde Ermanno Olmi deze, zijn tweede, film. Hij maakte hem in 1961, in de tijd dat Italiës economie groeide. De nieuwe bedrijven wierven hun personeel in de gehuchten rondom de steden, waar rijen goedkope appartementen werden gebouwd aan straten van aangestampt stof, en de vaders geen boer meer waren maar fabrieksarbeiders.

Gaat Il posto, zijn titel getrouw, over een betrekking? Ja en nee. De film schildert de galeien van de eerste generatie modern kantoorpersoneel. Anonieme klerken in een anoniem bedrijf, werkzaam in hoge ruimtes met een klok als enige wandversiering.

Met kleine sneetjes kerft Olmi afstomping in dit beeld, machtsmisbruik, kruiperigheid, verweer. Door van een enkeling een flard privé-leven te onthullen, herovert hij de mensen op de karikaturen die ze achter hun bureaus zijn geworden: de één is een enthousiast café-tenor, een ander schrijft 's nachts, weggedoken voor zijn op elektriciteit bezuinigende hospita, aan een roman. En ook op zo'n kantoor blijven mensen toch mensen: onverhoeds barsten twee klerken, dorre mannen met dikke brillen, los in een sissend 'inke pinke rood-wit-blauw...', verrukt omdat ze tegelijk hetzelfde zeiden.

Postkamer

Het verhaal van de film is snel verteld.

Domenico wordt aangenomen. In plaats van achter een bureau belandt hij voorlopig in de postkamer, met een pet op zijn hoofd en niets te doen. Hij heeft geduld, doet zijn best en krijgt ten slotte de begeerde plek in een rij schrijftafels, zijn posto.

Il posto is niet snel verteld.

Wat Olmi kwijt wil, gaat schuil in de gebeurtenisjes terzijde van het verhaal. Niks bijzonders.

Vertel ze na en ze vervliegen.

Beschouw ze met Olmi als intermediair, en ze stromen over van touchante details en trillende betekenis. Dan dringt het besef door dat Olmi streeft naar niets minder dan het weergeven van gevoel; van iets dat woorden niet kunnen vatten, maar waar een film aan kan raken.

Gezegd wordt er niet veel, maar geluid is overal: klikkende hakken, het schuren van stoelpoten, de stencilmachine, stemmen in een aangrenzend vertrek, het lawaai van Milaan-onder-constructie, een flard Für Elise uit een open raam. De tedere grijswitgetinte fotografie, die niet mooier maakt maar wel intiem, zet Olmi in op slurpen, gluren, sluipen, je verstoppen in jezelf. En alles komt steeds weer uit bij de reacties van de jonge Domenico.

Bullebak In de kamer van een afdelingshoofd kapittelt voor in beeld een bullebak een oudere vrouw. Vooraan is zó vooraan dat de bullebak een bril en een mond is en de vrouw een angstaanjagend brok middelbare ellende. Echter, Olmi concentreert het shot, tussen de vernederde vrouw en de hufter door, op Domenico. Stil kijkt hij toe, uit een lage stoel in een gladgewreven interieur. Wat hij voelt, helpt niemand, maar wij voelen mee en dat maakt toch een wereld van verschil.

Of neem dat sollicitatie-examen. Een onwaardige vertoning die mannen en vrouwen reduceert tot terneergeslagen schoolkinderen (de zenuwen van een vlezige man die met zijn jas aan mompelend een som zit op te lossen) en hen vervolgens onderwerpt aan een psycho-technische test. Een barse witte jas stelt vragen als 'Bevalt het u niet om buitenshuis te eten? Ja of nee?' van dat soort. Onzin, maar Domenico denkt over elke vraag diep na. Zijn bloedserieuze gezicht in combinatie met zijn gefluisterde 'ja' of 'nee' ontmantelt de lelijkheid, versterkt zijn onaantastbaarheid.

In de middagpauze van het examen belandt Domenico in een overvolle trattoria aan een tafel waar de wijd opengeslagen krant van zijn buurman hem bijna wegdrukt. Onzeker bestelt hij en vervolgens pakt hij bijna het bord aan dat voor een andere gast bestemd is. Schutteren. 'Oh, excuus. Ik...' Hij ziet een meisje, ze neemt ook deel aan het kantoorexamen. Zijn gezicht is nu een en al kuis verlangen: al keek ze hem maar een keer aan. Ze kauwt en ze drinkt een slokje. Ze kijkt pas opzij, als hij naast haar bij de kassa staat.

Er is veel meer en het is allemaal niets, maar door de prachtig geregisseerde, gespeelde en vastgelegde acties en reacties, een lachje, een verlegen hand, een onhandig staren, is het alles.

En het gaat maar door. Domenico en het meisje wandelen samen terug, Olmi volgt ze door de drilboorstad. Ze bekijken etalages, ze rennen de drukke straat over, een alibi om even elkaars hand te pakken. Het meisje sprenkelt reukwater achter de revers van Domenico's overjas 'tegen de baklucht uit de trattoria' (zijn reactie als ze even aan hem ruikt is ademloos verrukt). Blozend (zoiets zie je, daar wordt voor gezorgd, ondanks het zwartwit) inviteert hij haar voor een kopje koffie. Details als gegiechel op de aanspreektitel 'meneer', de minieme onzekerheid over de fooi en het elkaar vinden in bewondering voor de koffiekopjes, maken duidelijk dat geen van beiden ooit eerder in een bar was. De scène biedt een intimiteit die zo broos is en lief en mooi dat hij bijna pijn doet.

Verlorenheid

Ze ontmoeten elkaar nog verschillende malen. Olmi vangt hun verhuld aandachtige blikken en hun naar de ander neigende houding. 'Kom naar het oudejaarsfeest, misschien mag ik er ook heen van mijn moeder', spoort het meisje hem aan in een gestolen ogenblik op de lange gang. Hij gaat, arriveert veel te vroeg in de danszaal, wat gelegenheid geeft tot beelden van verpletterende verlorenheid. Een orkestje houdt de moed erin, maar het meisje zal niet komen, en daar waren we al bang voor.

Er ontrolt zich een krampachtig feest, Olmi creëert een reeks ontroerende miniportretjes, van een muurbloem, van een wanhopig flirtende vrouw en haar ouwelijke echtgenoot, van een leep bejaard stel. En weer verleent de gespannen aandacht van zijn camera glans aan al deze o zo gewone mensen. Door zijn welgemikte accenten op het miniem alledaagse brengt hij ons de personages, hun emoties en verlangens nabij alsof we ze zelf meemaken. En Domenico? Die dendert mee in de polonaise en heeft eindelijk plezier.

Vonnis Domenico zet zich achter een bureau, het achterste op de rij, zijn nieuwe collega's zijn elk schielijk een bureau opgeschoven. Hij verstelt de lamp. Wat zijn leven verder ook brengt, hij zal aan dat bureau onder die bureaulamp werken tot aan zijn pensioen, nu nog met pen en papier, daarna met een schrijfmachine en wie weet maakt hij de pc nog mee. Hij moest een man worden en dat deed hij gehoorzaam, zoals hij alles gehoorzaam doet wat hem wordt opgedragen.

Hij kijkt op. Onder zijn gezicht verschijnt nogmaals de filmtitel: Il posto.

Is dit een vonnis? Zijn onveranderd open blik loochent dat: hij zit daar wel, maar met behoud van de jongen die hij is. En dat maakt van dit einde misschien nog geen happy end maar wel een hoopvol end.

Volgende maand: 'Umberto D' van Vittorio de Sica

Joyce Roodnat is chef kunst van NRC Handelsblad.