Hap, slik, weg met de Grote Grazers! Die brengen de biodiversiteit in gevaar

De inzet van pony's en andere graasdieren zou moet zorgen voor een afwisselend landschap. Maar vaak komt juist de biodiversiteit in gevaar.

Hap, daar gaat weer zo'n smakelijke vleeskleurige orchis. Hap, daar ziet de IJslandse pony er nog eentje. Hap, nu zijn ze op. Volgend jaar staan er madeliefjes op hun plaats.

Planten als vleeskleurige orchis zijn wettelijk beschermd: wee degene die zo'n plant zonder toestemming plukt of erger nog: uitgraaft. Maar als een pony het doet, kraait er geen haan naar. Dat komt omdat er nauwelijks gekeken wordt naar de effecten van pony's en andere `grote grazers' op de flora.

In een aaneengesloten periode van ten minste 3.000 jaar is de natuur in Nederland aangepast aan de aanwezigheid van de mens. Daarmee verdween de oernatuur uit Nederland. Een zeer afwisselend landschap met een hoge biodiversiteit is daarvoor in de plaats gekomen.

Mest, of eigenlijk het gebrek daaraan, heeft tot biodiversiteit geleid. Tot begin 20ste eeuw was er een nijpend tekort aan meststoffen in de landbouw. Mede daarom stond het vee in de winter – en vaak ook 's avonds – op stal. Veel terreinen werden gedurende een deel van het jaar vrijgehouden van vee om hooi te kunnen oogsten. Ook de schapen op de hei stonden 's avonds op stal. Juist omdat mest zo hard nodig was.

Er waren tot in de 20ste eeuw ook heel veel arme mensen die aangewezen waren op natuurproducten, van (sprokkel)hout tot kruiden en vruchten. Het waren bijvoorbeeld niet alleen de schapen, maar ook de arme mensen, die ervoor zorgden dat in heidevelden de grote oude heidestruiken weggehaald werden: zij maakten er bezems van om die op de plaatselijke markten te verkopen. Daardoor werd de hei voortdurend verlost van oude, oneetbare struiken.

Nog maar drie decennia geleden waren Heckrunderen, Schotse Hooglanders, Wisenten en IJslandse pony's onbekend in Nederland. Hoe mooi, hoe fascinerend deze dieren ook mogen zijn, Nederland heeft zijn biodiversiteit niet aan deze dieren te danken, maar aan de wisselwerking tussen mens, natuur en landschap gedurende de laatste 3.000 jaar. Het gevaar is dan ook groot dat met de inzet van deze dieren wel een afwisselend landschap in stand wordt gehouden, maar dat de daarbij behorende biodiversiteit verloren gaat. Het veelgeroemde New Forest in Zuid-Engeland, bijvoorbeeld, heeft weliswaar een fraaie vegetatiestructuur, maar herbergt slechts weinig bijzondere planten, als gevolg van duizend jaar permanente begrazing door paarden. Laten wij het in Nederland nu ook zover komen? Of trekken we lering uit deze lessen?

Er is nog een andere zorgelijke ontwikkeling met verstrekkende gevolgen voor de biodiversiteit in algemene zin. Het Nederlandse vee, of het nu in een natuurgebied loopt of in een weiland, bevat allerlei veterinaire stoffen die via dierlijke mest in de natuur terechtkomen en die zeer veel schade berokkenen aan mestkevers en allerlei andere mestverwerkende insecten, die mede daardoor letterlijk uit de natuur verdwijnen. Ook voor de flora heeft dit gevolgen: uitwerpselen blijven langer liggen, en dat trekt weer allerlei mest minnende planten aan.

Wat zit er toch achter die hang naar oernatuur? Misschien heeft het er mee te maken dat veel Nederlandse biologen bepaalde plekken in Polen aanzien als een soort natuur dat zij willen laten terugkeren in Nederland, een soort referentienatuur, compleet met zwervende kuddes wisenten. Dit is misleidend, omdat de samenstelling van de flora daar kwalitatief en kwantitatief sterk verschilt van die in Nederland, mede als gevolg van het volstrekt andere (land)klimaat. Voor de effecten van begrazing moeten we kijken naar wat hier, in Nederland, is gebeurd.

Voor de duidelijkheid willen we opmerken dat het gecontroleerd inzetten van vee gedurende korte perioden van enkele dagen tot enkele maanden gunstige effecten kan hebben op de flora (periodieke begrazing). Sommige natuurgebieden, zoals de Westduinen op Goeree, hebben hun rijkdom aan bijzondere planten te danken aan de eeuwenlange periodieke inzet van koeien.

Er is geen enkele wetenschappelijke onderbouwing voor de opvatting dat permanente begrazing leidt tot een verbetering van de kwaliteit van de biodiversiteit in de Nederlandse natuurgebieden. Sterker nog, het ziet ernaar uit dat plantensoorten die zich in de afgelopen 3.000 jaar hebben aangepast aan de invloed van de mens, de plotselinge verandering naar permanente begrazing niet tijdig kunnen volgen, zodat die verandering resulteert in een ernstige benadeling van de kwetsbaarste plantensoorten. Dat betekent dus verlies aan biodiversiteit, wat indruist tegen de hoofdtaak van de natuurbescherming.

Ruud van der Meijden is auteur van de `Rode Lijst voor planten' en Laura Kooistra is archeobotanica.