Een treurige verjaardag

Tijdens de laatste dagen van het bewind van de Haïtiaanse president Aristide beheersten gewapende bendes Port-au-Prince. Ze belaagden ook de buitenlandse journalisten in de Haïtiaanse hoofdstad. Ooggetuigeverslag van een cameraman. `De bendes blokkeren de weg.

Onze chauffeur aarzelt geen moment en stuurt de jeep met grote snelheid de weg af.

Ze zetten de achtervolging in.'

Haïti is maar een paar uur vliegen vanaf New York, maar opeens sta je in Port-au-Prince als een onhandige, te grote en te witte oom Lambert midden in een Afrikaans land. Congo, in de jaren zestig. De opgebroken weg van het vliegveld is bezaaid met autowrakken en haastig aangebrachte barricades, het ruikt naar smeulende autobanden, winkels zijn gesloten en geblindeerd.

Langs de weg kolonnes vrouwen en meisjes met grote zinken en plastic teilen met water op het hoofd. De gezichten staan gelaten en vermoeid. Felbeschilderde busjes met religieuze leuzen – `God is good all the time' – laveren door de menigte. Op elke hoek een bijna-ongeluk. Schurftige honden met uitstekende ribben nemen nauwelijks de moeite het verkeer te ontwijken. Mens en dier in Haïti lijken de dood te verachten. Je ruikt de angst.

Port-au-Prince is al enige tijd afgesloten van voedseltransporten. Een rebellenleger in het noorden wil de president tot aftreden dwingen, en is begonnen de hoofdstad af te snijden. In de stad zelf voeren gewapende bendes een schrikbewind. Men zegt dat de president hen heeft bewapend om zich te beschermen tegen de toenemende onvrede over zijn regering. Ze hebben geschoten op demonstranten. Kritische Haïtiaanse journalisten zijn vermoord. De politie is ondergedoken. Er heerst rechteloosheid en anarchie.

Het draait allemaal om Jean-Bertrand Aristide, een revolutionaire ex-priester, die het leven in Haïti de afgelopen vijftien jaar heeft beheerst. Tot verbazing van de Franssprekende Haïtiaanse mulatto-elite en tot verontrusting van de Republikeinse regering van Bush sr. in Washington, won hij met een forse meerderheid de eerste vrije verkiezingen in 1989 na tientallen jaren van dictatuur. Voor de grotendeels ongeletterde massa – Haïti is een van de armste landen ter wereld – was hij l' homme du peuple, de eerste politicus die z'n campagne voerde in de taal van het volk, Creools. Aristide vergeleek zichzelf met Toussaint Louverture, de legendarische leider van de succesvolle slavenopstand tegen de Franse en Britse koloniale imperia. Haïti was in 1804 de eerste onafhankelijke zwarte republiek, bezongen door de slaven in Virginia. Het is dit jaar een treurige 200ste verjaardag.

D

e ploeg van het NOS-Journaal arriveert in Port-au-Prince op woensdag 25 februari. Verslaggever Peter ter Velde, gepokt en gemazeld in het Midden-Oosten en Bart Drolenga, editor, geluidsman en producent. Bart heeft net een documentaire over voodoo in Haïti gemaakt, Buying the Spirit. Ik vlieg in vanuit New York als freelance-cameraman. Geen dag te laat. De volgende dag gaat de luchthaven op slot.

De Amerikaanse media zijn er in drommen. Ook de Duitse publieke omroepen zijn gekomen, en Ieren, Italianen en Spanjaarden. Uit Nederland zijn er maar weinig journalisten. Wat is dat toch met de Nederlandse journalistiek? Gaan we niet meer als het quotiënt van gevaar en politieke complexiteit negatief uitvalt?

Is Haïti niet erg gevaarlijk?

Dat vraagt m'n moeder ook. Ze kijkt dag en nacht op de buis naar de hitsige verslaggeving van CNN. Ik stel haar gerust. Het hotel waar we logeren, El Rancho, ligt achter de zwaar bewapende ambassade van de Dominicaanse Republiek, het Spaanstalige buurland van Haïti. Maar berichten over de misdragingen van de gewapende aanhangers van president Aristide maken het perscorps zenuwachtig. Bendes chimères (fantomen) houden nu ook buitenlandse journalisten aan bij wegblokkades. Een Mexicaanse collega komt trillend vertellen hoe hij tegen een muur is gezet en de bendes vlak over zijn hoofd heen schoten.

We rijden van het hotel in het hoger gelegen Petion-Ville naar het centrum van Port-au-Prince. Het is onze eerste expeditie, op zoek naar Haïtiaanse journalisten, die meestal onderduiken in de Holiday Inn. Weinig mensen laten zich nog op straat zien. Er is bijna geen verkeer. Telkens als Salomon, onze chauffeur, een wegblokkade van de chimères ontwaart, schieten we een zijstraat in.

Vlak bij de Holiday Inn – we zijn al uitgestapt – racet een politieauto voorbij. Ik volg ze met de telelens van de camera en zie opeens een ongeregistreerde pickup-truck uit een zijstraat schieten. Confrontatie? Achtervolgt de politie of is ze op de vlucht?

De verhouding tussen de chimères en de nationale politie begint steeds onduidelijker te worden. Beiden behoren tot het Aristide-kamp. De chimères oefenen een steeds brutalere straatterreur uit en de politie blijft thuis. De berichten dat het rebellenleger de hoofdstad nadert en korte metten wil maken met de aanhang van Aristide zal ook niet bijdragen tot het plichtsgevoel van de politie.

We staan nog buiten het hotel als opeens een colonne trucks en jeeps met gewapende mannen opduikt. Ze zwaaien met hun geweren. Ik zet me schrap en film, als ze op ons afrijden. Wat ze ons toeschreeuwen is grotendeels onverstaanbaar, maar er klinkt veel `fuck you'. In de laatste jeep staat een rastafari in de achterbak met een revolver. Daar schiet je makkelijker mee dan met een geweer dat je moet aanleggen. Onze ogen maken contact – ik zie dat hij stoned is en kwaadaardig. De rasta maakt een dreigend gebaar van oprotten. Ik ben gevangen in het bekende dilemma van de cameraman: shot afmaken of gehoorzamen en met niets thuiskomen. Ik laat langzaam de camera zakken.

Het waren chimères. Op de weg terug naar ons hotel staan ze ons op te wachten en blokkeren ze de weg. Onze Haïtiaanse chauffeur Salomon aarzelt geen moment en stuurt de jeep met grote snelheid de weg af. De chimères zetten de achtervolging in. Via onmogelijke achterafstraatjes, bonkend en slingerend, brengt Salomon ons tot achter het hotel. We zijn er bijna als ergens een uitlaatpijp knalt. De onverschrokken Salomon verliest van schrik bijna de macht over het stuur.

's Avonds aan de bar in het hotel slaat een verslaggever van de Oostenrijkse televisie door. Hij kan er niet meer tegen omringd te worden door vijandige, schietende zwarten. Gedrogeerde desperado's met M-16's die weten dat ze niets te verliezen hebben. En waar je maar rijdt, je wordt onmiddellijk doorgegeven door een Aristide-verklikker. Het maakt hem gek. Ook de NOS-redactie laat weten zich zorgen te maken. We hebben wel kogelvrije vesten, maar het is niet de bedoeling de équipe al te veel bloot te stellen aan de gevaren van oorlogsverslaggeving. Beelden van het front, daar zorgen de nieuwsagentschappen wel voor. De eigen verslaggevers dienen achtergrond en inzichtverhalen te maken. Is dat nog wel mogelijk?

Als ik de volgende ochtend van het dak van het hotel inzoom op een helikopter die vanuit de ambassade van de Dominicaanse Republiek tegen goed geld buitenlanders evacueert, zie ik de Oostenrijkse verslaggever en zijn cameraman vertrekken.

Op weg naar het centrum stuiten we op een stoet witte VN-bussen. Ook het VN-personeel wordt geëvacueerd. Aristide negeert de oproep van Colin Powell, Amerika's minister van Buitenlandse Zaken, en de Franse regering om af te treden en zo een bloedbad te voorkomen. Hij laat weten dat hij als democratisch verkozen president de verplichting heeft aan te blijven en Haïti te beschermen tegen de rebellen, die worden gesteund door drugsdealers. Dit laatste geldt zeker voor Guy Philippe, de mediagenieke leider en woordvoerder van de rebellen die de Chileense dictator Pinochet zijn lichtend voorbeeld noemt.

Intussen – het is nu vrijdag – nemen de rebellen zonder slag of stoot Les Cayes, Haïti's derde grootste stad, en Mirebalais. Ze zijn nog slechts zo'n veertig kilometer verwijderd van Port-au-Prince. Op straat, in de buurt van het paleis, treffen we een groep aanhangers van Aristide aan. Ze staan pal voor hun `Titid'.

Het is onbekend op hoeveel aanhang onder de bevolking Aristide nog kan rekenen. Ook dat maakt de Amerikanen en Fransen terughoudend om troepen naar Haïti te sturen.

Ons hotel El Rancho is hét ontmoetingscentrum voor politici en aspirant-politici van de oppositie. Ze zwermen in en uit, voorzien van een gevolg en praten druk in hun mobiel. Velen zijn tevens zakenmensen die, zo op het oog, goed voor zichzelf gezorgd hebben onder het populistische regime van Aristide. Ze houden er een besmuikte paringsdans met de media op na. Er wordt veel omhelsd en op ruggen geslagen.

Bij alle pogingen tot bemiddeling stelt de oppositie zich even rigide op als Aristide. De Amerikaanse ambassadeur zou er een kettingroker van geworden zijn. Een groot obstakel voor een overeenkomst is dat de oppositie de leden van de Lavalas-partij van Aristide geen plek gunt in een nieuwe overgangscoalitie.

Intussen tikt de klok door en wordt de humanitaire situatie in Port-au-Prince en andere plaatsen onhoudbaar. Kinderen en bejaarden dreigen ondervoed te raken. Internationale hulpverleningsorganisaties zijn vertrokken. De stadsbevolking zit als ratten in de val. Precies wat Guy Philippe, de rebellenleider, beoogt. ,,Ik wil dat ze wanhopig worden.''

In de nacht van zaterdag op zondag, 2 maart, maakt onze chauffeur Salomon me opgewonden wakker. Hij is mijn kamergenoot geworden omdat hij 's nachts niet meer veilig naar huis kan. Hij is erg blij. ,,C'est fini! Il est parti!''

We gaan met z'n allen de straat op. Een jonge Dominicaanse vrouw danst lachend voor haar buren. Iemand amuseert omstanders met een mimestukje: een geslagen boef wordt afgevoerd in handboeien. Maar niet iedereen is vrolijk. Een jonge Haïtiaan maakt een onthutste indruk en richt zijn woede op ons. Hij heeft vrienden onder de chimères. Tegelijk scheurt een open Mercedes met jongeren opeens op de mensenmenigte af en maakt op het laatste moment een slip van 180 graden. Verwende kinderen van de mulatto-elite. Ze schreeuwen en maken het V-teken.

Terwijl de collega's monteren, rijden Salomon en ik naar de luchthaven om te kijken of de US Marines al zijn aangekomen. De luchthaven is afgezet door Canadese special forces. Geen juichende bevolking, geen ontvangstcomité. In afwachting van de mariniers neem ik Salomon mee op bezoek bij Eelsie, een oude Haïtiaanse vriendin. Ze woont nog steeds in dezelfde slum. Een boom van een kerel doet open. Ik herken hem niet. Het is tien jaar geleden dat ik hem voor het laatst zag, toen een ziekelijk joch. Het leven van een cameraman bestaat uit momentopnamen.

Eelsie is de dochter van een hoge Tonton Macoutes, de gevreesde, wrede paramilitairen van de vroegere dictator Papa Doc. Hij is nu taxichauffeur in Brooklyn. Hoe reageerde de buurt op het vertrek van de president? Ze zegt dat iedereen opgelucht is. Het kan alleen maar beter gaan. De Amerikanen komen, dus het geld gaat weer rollen.

's Avonds komt onze Haïtiaanse stringer Henri snuivend aanlopen. Een nieuw gerucht? vragen we vermoeid. In een land waar je toch al gek wordt gemaakt met fantastische beweringen, is Henri een productieve autonome geruchtenmachine. ,,Aristide is gekidnapt door de Amerikanen. Echt waar. Hij heeft het bevestigd!'' Henri slaat op z'n knieën van plezier. ,,Dit is big shit voor Bush – dit gaat hem de verkiezingen kosten. Te gek.''

,,Henri, is dat niet wat Haïti-centrisch gedacht? Hoeveel Amerikanen weten wie Aristide is? Wie kan het wat schelen wat er met hem gebeurt? De Amerikaanse zwarte gemeenschap heeft zich allang in een soort plaatsvervangende schaamte van Haïti's perikelen afgekeerd. Zoals altijd bij dieptepunten in de geschiedenis van Haïti maken de Amerikanen zich alleen zorgen over een mogelijke immigratiegolf.''

Voor het eerst houdt Henri zich stil.

Maandag, de dag na het vertrek van Aristide, racen we in de stad van de ene massale demonstratie naar de andere. Telkens als ik Henri vraag waar deze demonstratie over gaat, is het antwoord simpel: `happiness'.

Wie de toekomst van Haïti wil bepalen, is vandaag bij het zwembad van het hotel te zien. Rebellenleider Guy Philippe en zijn trawanten zijn naar de stad gekomen en confereren druk met de Haïtiaanse elite, omringd door de internationale media. In de ballroom `Flamboyant' vinden belangrijke geheime vergaderingen plaats. Als Guy Philippe vertrekt met zijn houtjetouwtje-leger, storten mensen op straat zich naar voren om de bevrijder aan te raken. Maar weinigen blijken zich bij Philippes nationale leger aan te melden. Het gaat hooguit om honderden vrijwilligers. Duizenden anderen in het land, zonder werk, zonder eten, houden het voor gezien.

Maar in Petion-Ville, de rijke buurt van Port-au-Prince, heeft de bourgeoisie onmiddellijk een burgerwacht gevormd die zich één verklaart met Philippe. Een aantal buikige heren heeft zich vandaag in battle-dress gehesen en geweren uit de kast gehaald. Ook zij komen nu een zegetochtje maken langs het hotel. Nu Aristide weg is en de Amerikaanse mariniers geland, durft deze burgerwacht de strijd met de chimères wel aan. Als we even later naar de stad rijden, treffen we een doorzeefde auto aan met de lijken ernaast van twee jongemannen. Dit moet voor de heren leuker zijn dan op wild jagen.

In de stad is de politie op volle toeren bezig mensen te koeioneren. Ze rijden schreeuwend rond, dwingen voorbijgangers hun hemd op te trekken en op de grond te gaan liggen. Er heerst weer orde in de stad.

Voor het jeugdjournaal mogen we nog een uitsmijter maken over een Nederlandse mevrouw die scholen opzet in het land. Eindelijk kunnen we de stad even verlaten. Marijke Zaalberg is een voormalige kleuterjuf die na een echtscheiding in Haïti in de hulpverlening terechtkwam. Uit verzet tegen wat er zoal aan de strijkstok blijft hangen, heeft ze vijf jaar geleden een eigen schooltje geopend. Met een budget van 80.000 euro voedt en kleedt ze nu 600 kinderen, die ook nog les krijgen in lezen en schrijven. Alle kinderen zien eruit om mee naar huis te nemen. Haïtiaanse kinderen zijn de mooiste ter wereld. Maar ze zijn erg stil en sommigen kijken ronduit droevig uit hun ogen. Marijke vertelt hoe velen groeistoornissen hebben en achterblijven.

Denkt ze dat de kinderen een reactie vertonen op het geweld en de malaise in Haïti? Ik weet het niet, zegt ze nuchter. De ouders hebben zelf ook niet te eten. In dit land kan 80 procent van de bevolking niet schrijven of lezen, buiten de stad misschien wel 95 procent. Misschien kan een enkeling z'n kans grijpen als hij wat opleiding heeft gehad. Maar in veel gebieden zijn er nog geen scholen.

Heeft ze ooit iets gemerkt van Aristides plannen om iets aan het onderwijs te doen? Marijke lacht.

Ik wil het antwoord niet horen.

Er staat een rastafari in de achterbak met een revolver. Ik zie dat hij stoned is en kwaadaardig. Oprotten