De driepersoons denktank van Bush

Kristol, Himmelfarb en Kristol. Een vader, een moeder en een zoon. Ze beheren in Washington de bakermat van het neoconservatisme en ze zijn meer dan wie ook verantwoordelijk voor de ruk naar rechts van de Republikeinen. 'Ik had eerlijk gezegd niet verwacht dat Amerika zo gelovig zou worden.'

In de hoek van het kantoor van Bill Kristol in Washington staat Saddam Hussein in een kooitje van hout en glas. Hij zit klem, de glazen wanden drukken tegen zijn lichaam. Zijn schedeldak is gelicht. We hebben inkijk in zijn hersens. 'Een cadeau van vrienden', zegt Kristol. Hij trekt hetzelfde stralende gezicht waarmee hij elke zondagochtend op de televisie progressief Amerika verbaal geselt. 'Ze vonden dat ik geobsedeerd was door Saddam, en hebben een pop laten maken naar het design van een omslag van The Weekly Standard. Het omslag had als kop: Wat Gaat Er In Zijn Hersens Om. Vandaar.'

William ('Bill') Kristol (52) is uitgever en hoofdredacteur van The Weekly Standard. Het weekblad maakt reclame met de slogan dat het wordt gelezen in Air Force One, het vliegtuig van president Bush. Hij werkt ook voor Fox, het conservatieve alternatief voor nieuwszender cnn. Kristol was een warm pleitbezorger van de oorlog in Irak; hij schreef met Lawrence Kaplan van het concurrerende tijdschrift The New Republic een boek, The War over Iraq, dat een maand voor het begin van de strijd verscheen.

Een kwestie van goede timing, of van intieme contacten met de regering-Bush? 'Met mensen van de eerste rang in deze regering spreek ik niet veel', zegt hij. 'Alleen (veiligheidsadviseur) Condoleezza Rice zie ik regelmatig. Eens in de drie maanden maken we een afspraak. Zij spreekt dan, ik luister. En ik mag er niets van publiceren. President Bush heb ik twee keer gesproken, vice-president Cheney misschien drie keer. Ik heb wel veel contact met mensen van het tweede echelon. Vooral met tekstschrijvers van (partijstrateeg) Karl Rove.' Kristol noemt zichzelf geen journalist. Hij is, zegt hij, 'geïnteresseerd in beleid, in politiek'. Hij is even stil. 'In de vorming van beleid. In het beïnvloeden van beleid.'

Hij praat snel, zit op het puntje van zijn stoel en heeft het open gezicht van een engeltje. Het contrast tussen zijn gezicht en zijn taalgebruik is zijn belangrijkste handelsmerk op de televisie: de combinatie van onschuld en gespierd taalgebruik blijft boeien.

Samen met het Project for the New American Century dat is gevestigd op dezelfde verdieping in een kantoor in het centrum van Washington, is The Weekly Standard te beschouwen als het zenuwcentrum van het neoconservatisme. Als ik dit opper, verdwijnt de lach abrupt van Kristols gezicht. 'De neoconservatieven worden gedemoniseerd in Europa', zegt hij. 'Aanvankelijk vond ik het zeer vermakelijk. Als we even niets te doen hadden, graasden we op internet naar buitenlandse artikelen over de neocons. Later begon het mij te beangstigen. Het was geen gezond teken dat het buitenland dacht dat de regering van George Bush werd gedomineerd door een hofkliek van neoconservatieven. Irak was voor 90 procent het idee van Bush zelf. De overige 10 procent nemen wij voor onze rekening, maar alleen voor zover dit betekent dat deze regering gebruikmaakte van de ideeën die wij het vorige decennium hebben geformuleerd. En die wezen niet alleen op verandering van het regime in Irak. Ze waren algemener geformuleerd. For the record: ik was in 2000 geen aanhanger van Bush maar van John McCain. Bush was in de campagne een neo-isolationist. Hij wilde dat de Verenigde Staten zich zouden terugtrekken van het internationale toneel, en greep daarmee terug op een sterke traditie in de Republikeinse partij die dateert van voor de Koude Oorlog. Daar heb ik mij juist tegen verzet. Pas 11 september heeft deze president zich bekeerd tot het internationalisme.'

Geen tegenoffensief

De week dat ik Bill Kristol spreek, staat de regering-Bush onder zware druk. Chef-wapeninspecteur David Kay heeft een vernietigend oordeel geveld over het werk van de inlichtingendiensten in Irak in de periode voor de oorlog. Zijn opmerking 'we zaten er waarschijnlijk allemaal naast' was een voltreffer. Irak bezat wellicht geen massavernietingswapens (meer) voor het begin van de oorlog. 'Het merkwaardige van dit Witte Huis', zegt Kristol, 'is dat er zo traag wordt gereageerd op slecht nieuws. Andere regeringen zouden meteen een tegenoffensief hebben ingezet, maar deze doet in eerste instantie niets. Je wacht, en wacht, en als je denkt: gebeurt er nog wat?, slaan ze toch terug. Maar in dit geval doen ze dat in mijn ogen weinig gecoördineerd.' Kristol noemt het 'nogal dom' dat minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell het project-Irak naar aanleiding van de opmerkingen van Kay in twijfel heeft getrokken, om die twijfel een dag later weer in te slikken. Hij gelooft niet dat Bush de informatie over massavernietigingswapens 'heeft gemanipuleerd'. Hij is 'gematigd optimistisch' over de vestiging van een democratische regeringsvorm in Bagdad. En er is in zijn ogen 'geen alternatief' voor een democratisch Midden-Oosten: 'Zolang de president daar maar van doordrongen blijft, is er niets aan de hand. Een paar maanden geleden vreesde ik het ergste. Bush leek van slag; het ging in Irak allemaal niet zoals hij wilde. Maar nu is hij weer vastberaden, misschien door de vangst van Saddam.'

Een agressieve buitenlandse politiek, Kristol pleit er al acht jaar voor. In 1996 schreef hij samen met geestverwant en buitenlandspecialist Robert Kagan een spraakmakend artikel in het blad Foreign Affairs. 'We stelden daarin dat de wereld na de Koude Oorlog nog steeds een gevaarlijke plaats is en hielden daarom een pleidooi voor een zegenrijke hegemonie van de Verenigde Staten. We spraken ons tevens uit voor een morele buitenlandse politiek en voor een verhoging van het defensiebudget, in de traditie van Ronald Reagan. Amerika, schreven we, kon het zich niet veroorloven het ontstaan van internationale dreigingen passief af te wachten.' Door dat artikel kregen Kagan en Kristol het etiket 'neoconservatief' opgeplakt.

'Dat was gerechtvaardigd', zegt Kristol, 'maar ook enigszins misleidend.' Gerechtvaardigd, omdat een eerdere generatie neoconservatieven zich in de jaren '70 en '80 al inzette voor krachtig buitenlands beleid, dat toen was gericht tegen de communistische Sovjet-Unie. Kagan en Kristol traden in hun voetsporen. Maar ook misleidend, omdat 'de traditionele neocons zich van de jaren '60 tot de jaren '80 in de eerste plaats bekommerden om de crisis in het kapitalisme.'

Twee hoeraatjes

Two Cheers for Capitalism is de titel van de verzameling essays waarmee Irving Kristol, de vader van Bill, in 1978 zijn reputatie als neoconservatief vestigde. Twee hoeraatjes in plaats van de gebruikelijke drie. Het onderscheid is belangrijk. Als we niet oppassen, schrijft Kristol senior, bezwijkt het kapitalisme aan zijn eigen succes. Er zijn twee groepen die in materieel opzicht met het kapitalisme 'meeliften', maar het proberen te ondermijnen. De eerste is een 'nieuwe klasse' bestaande uit 'wetenschappers, leraren, opvoedkundigen, journalisten en anderen in de communicatieindustrie, psychologen, maatschappelijk werkers' enz. Hun doel is de balans in de samenleving te verschuiven van de vrije markt naar de overheid. Zij onttrekken daarmee zuurstof aan de dynamiek van het kapitalisme. De tweede groep is de tegencultuur met zijn nihilisme. Die vindt Kristol veel gevaarlijker dan de eerste, omdat 'het kapitalisme haar niet als vijand herkent', maar haar omhelst als een 'zakelijke uitdaging: grote ondernemingen publiceren onbekommerd boeken en tijdschriften, drukken en verkopen grammofoonplaten en verzorgen de reclame rond tv-programma's waarin pornografie wordt verheerlijkt en het instituut van het gezin wordt verworpen.'

'Zo zou het kapitalisme wel eens zijn eigen grafdelver kunnen worden', concludeert Irving Kristol somber in zijn boek.

Irving Kristol (84) en Gertrude Himmelfarb (82) leiden een teruggetrokken leven op de elfde verdieping van het Watergate-complex, een foeilelijk flatgebouw aan de rand van Washington met fraai uitzicht op de rivier de Potomac. Ze zijn 62 jaar getrouwd, en nog steeds productief en strijdlustig. Himmelfarb legt net de laatste hand aan een boek over de verschillen tussen de Verlichting in Frankrijk en Groot-Brittannië, toegespitst op het idee van compassie. Het is volgens haar geen toeval dat Amerika op dit moment een president heeft die met dat idee van compassion (Bush beschouwt zichzelf als een compassionate conservative) aan de haal is gegaan: 'De Verenigde Staten zijn in veel opzichten de geestelijke erfgenaam van de Britse Verlichting, juist op dit vlak. De Britse en de Amerikaanse Verlichting waren veel toleranter jegens godsdienst dan de Franse. Mind you, ze hadden ook niet te maken met het katholicisme, zoals de Fransen. De Franse Verlichting had daardoor een zwaar antireligieus karakter.'

Irving Kristol heeft geen temperament voor boeken. Zijn specialiteit is het politieke en culturele essay. Een laatste selectie verscheen in Neo Conservatism, The Autobiography of an Idea (1995). Sindsdien vuurt hij via The Weekly Standard van zijn zoon met enige regelmaat een stuk op de wereld af.

Ruk naar rechts

Kristol, Himmelfarb en Kristol zijn wellicht meer dan wie ook verantwoordelijk voor de ruk naar rechts die de Republikeinse partij sinds de jaren '70 heeft gemaakt. Ze vormen een driepersoons denktank, en zijn het beste bewijs voor het succes van de slogan waarmee Republikeinse ideologen sinds Reagan furore maken: ideas have consequences. Desondanks zijn ze niet eenvoudig te plaatsen.

Het beste kunnen ze misschien worden omschreven als gadflies onruststokers; ze zijn tegendraads, eigenzinnig en gesteld op hun onafhankelijkheid. Hun voorkomen is even beschaafd als hun stijl polemisch is. Ze hebben een scherp oog voor academische modes, vooral van links, waartegen ze zich met een aan woede grenzende weerzin verzetten. En ze zijn stellig overtuigd van het bestaan van een Amerikaans exceptionalisme. Ze zijn in de ban van het idee dat de Verenigde Staten een uitzonderlijke natie zijn, die zich gescheiden van Europa ontwikkelt.

'Als ik in Europa ben, voor een conferentie of een lezing, komt het gesprek altijd op de gezamenlijke waarden die we delen', zegt Bill. 'Maar als ik eerlijk ben zeg ik dat om diplomatiek te zijn. Er is een tendens in Europa om Amerika te definiëren via zijn president, maar ik vind godsdienst zeker zo'n goed uitgangspunt. In Amerika is 25 procent zwaar religieus, 25 procent seculier, en 50 procent gematigd religieus. Maar in Europa gaat nog geen vijf procent van de bevolking regelmatig naar de kerk. In enkele Europese landen zitten meer moslims in moskeeën dan christenen in de kerk. Dat vind ik een opzienbarend feit.'

'Ik had eerlijk gezegd niet verwacht dat Amerika zo gelovig zou worden. Maar ik had helemaal niet verwacht dat Europa zo ongelovig zou worden', zegt Irving. 'De religieuze beweging in Amerika heeft een sterk populistisch karakter. Zij is de hoedster van traditionele waarden. Door Democraten en de pers wordt ze vergeleken met de Talibaan. Onzin; het zijn gewone Amerikanen die in opstand kwamen tegen de tegencultuur. In Europa is er niets wat daar op lijkt. Vroeger zeiden we dat alle slechte ideeën uit Groot-Brittannië deze kant opkomen. Tegenwoordig is het andersom. Alle slechte ideeën uit Amerika worden geëxporteerd; de goede vinden geen weerklank. Wat mij daarnaast zorgen baart is dat enkele landen in Europa een afnemende bevolking hebben. De vergrijzing neemt er toe. Weet u hoe ik dat noem?' Ik weet het niet. 'Dat is een schoolvoorbeeld van decadentie.'

'Wat mij verbaast is het aantal mensen in Europa dat afscheid heeft genomen van het huwelijk. Ze geloven er niet meer in. Now thére's a big difference with America!' zegt Gertrude. 'Het heeft mij verrast dat de evangelische beweging hier zo politiek werd. Maar als politieke kracht lijkt zij over haar hoogtepunt heen. Het is nu een grote morele en culturele beweging. U weet misschien wat er over Amerika wordt gezegd: het verschil tussen de kuststaten en de fly-over states. De eerste zijn een bolwerk van de Democraten, de tweede van de Republikeinen. Dat verschil is vooral cultureel bepaald, niet economisch.'

'Washington', meent Irving, 'is niet de opdrachtgever tot het bouwen van al die kerken die nu uit de grond worden gestampt. Dat doen de gelovigen zelf.' 'Het interessante van Amerika', vult Gertrude hem aan, 'is dat de bevolking de ene kerk inwisselt voor de andere. Mensen veranderen van genootschap, zonder dat dit problemen oplevert. Het is een dynamisch proces.' Als ik suggereer dat de Republikeinse partij de religieuze beweging heeft geabsorbeerd, reageert Irving fel: 'Welnee! Het is andersom. De gelovigen dwingen de Republikeinse partij naar hen te luisteren. Dat beseft Karl Rove maar al te goed. Als de Republikeinen de gelovigen van zich vervreemden, blijven ze thuis bij de verkiezingen.'

Geuzennaam Het neoconservatisme kreeg in Nederland bekendheid door de buitenlandse politiek van de regering-Bush. Maar de wortels van deze beweging, of 'overtuiging', zoals Irving Kristol haar omschrijft, liggen in de binnenlandse politiek van Amerika.

'Het begrip neoconservatisme werd eind jaren '60 voor het eerst gebruikt door Michael Harrington', zegt Kristol. 'Hij bedoelde het allesbehalve als een compliment, maar ik beschouwde het als een geuzennaam. Ik ging ermee aan de haal.' Harrington, een prominente socioloog die met zijn boek over armoede in Amerika president John Kennedy had beïnvloed, constateerde tot zijn verdriet dat prominente linkse intellectuelen openlijk twijfelden aan de ideeën en het beleid, die zij zelf enkele jaren daarvoor hadden helpen formuleren: de oorlog tegen de armoede, gegarandeerde uitkeringen voor werklozen en alleenstaande moeders. Sommige van deze intellectuelen waren klassieke liberals; andere, onder wie Irving Kristol, hadden een radicaal politiek verleden. Kristols wortels liggen in Brooklyn; hij is de zoon van joodse immigranten. In zijn studententijd was hij een trotskist. Of beter: hij noemde zichzelf een neo-trotskist. Het woord neo zit in zijn genen.

Het ironische van Irving Kristol en zijn geestverwanten is dat zij de Verenigde Staten, de democratie en het kapitalisme omhelsden op het moment dat die onder druk kwamen te staan van een nieuwe generatie radicalen. Het is niet overdreven te stellen dat aanhangers van de tegencultuur eind jaren '60 de stoppen bij Kristol deden doorslaan. 'Ik was in de jaren '30 een politieke radicaal', zegt hij nu. 'Maar ik heb nooit de geringste behoefte gevoeld in opstand te komen tegen mijn ouders, mijn leraren of de cultuur. Dat gebeurde dertig jaar later wel.' Het neoconservatisme was dus vooral een culturele reactie op de veranderingen van de jaren '60. Deze opstand inspireerde Kristol tot zijn bekendste one-liner. Een neo-conservatief, schreef hij, is a liberal who has been mugged by reality. Van zijn illusies beroofd door de jaren '60, in een vrije vertaling.

Het decennium daarop concentreerden de neocons zich op de formulering van een alternatief voor de welzijnsstaat. En ze zochten naar een middel om de tegenrevolutie een halt toe te roepen. Het aardige is dat zij dat middel niet vonden, maar dat het zich aan hen opdrong. In Two Cheers for Capitalism constateert Kristol eind jaren '70 tot zijn verbazing een opbloei van religieus fundamentalisme in de vorm van prayer breakfasts, waar zelfs president Jimmy Carter zich aan blijkt over te geven. Kenmerkend is dat hij zich dan nog afvraagt hoe serieus hij dit fenomeen van ontbijt-met-gebed moet nemen. Een kwart eeuw later aarzelt hij niet langer. In het essay The Neoconservative Persuasion (The Weekly Standard, 25 augustus 2003) noemt hij neoconservatieven trots 'de bondgenoten van de religieuze traditionalisten. Ze zijn verenigd in zaken als de kwaliteit van het onderwijs, de verhouding tussen kerk en staat, de regulering van pornografie en aanverwante zaken die naar hun stellige overtuiging in aanmerking komen voor aandacht van de regering. En aangezien de Republikeinse partij nu voor een aanzienlijk deel steunt op deze godsdienstigen (18 procent van de partij rekent zich tot de christen-fundamentalisten MdG), verleent dat ook aan neocons een zekere invloed en zelfs macht.'

Neoconservatieven zijn bruggenbouwers: ze vormen het medium tussen het ongeremde populisme van de evangelische beweging en het Republikeinse establishment. Geen wonder dat Irving Kristol luidkeels verkondigt dat neocons eerst de Republikeinse partij revolutionair hebben veranderd, en vervolgens de Amerikaanse politiek. 'In 1970', zegt hij trots, 'had de Democratische partij twee keer zo veel leden als de Republikeinse. Nu is dat gelijkgetrokken. De Republikeinen zijn veranderd van een partij met het hart en de ziel van een boekhouder in een volkspartij. In een partij die verkiezingen wint.'

Stoelendans

Het gesprek met Irving Kristol en Gertrude Himmelfarb vindt plaats in de woonkamer van hun appartement, in dezelfde week dat ik hun zoon interview. Het begint met een kleine stoelendans. Ik zit eerst links, dan rechts van Kristol, die bijna doof is. Mijn vragen worden opgevangen door zijn ene nog redelijk functionerende oor. Himmelfarb zit tegenover mij; ze kijkt me met haar priemende bruine ogen licht wantrouwend aan. Hij heeft een zwaar New Yorks accent; zij een zachte maar gedecideerde stem. Ze vullen elkaar voortdurend aan, onderbreken elkaars zinnen en gedachten. Ze leerden elkaar kennen in 1940, vlak na de depressiejaren, op een politieke bijeenkomst in New York. 'Ze werd Bea genoemd', schrijft hij in An Autobiographical Memoir (1995). 'Ze was slank en had een krachtig, knap gezicht dat intelligentie en gevoeligheid uitstraalde.' Ze waren allebei trotskisten.

'We wilden geen revolutie ontketenen', zegt Himmelfarb nu bijna verontschuldigend. 'We took it very ironically.' 'We vochten tegen de stalinisten om controle over de stencilmachine op de universiteit', vult Kristol haar aan. 'En we lazen Marx, Lenin, Trotsky. Heel goed dat we dat toen deden. Toen ze bij een latere generatie weer populair werden, hadden wij ze al uit.' En Himmelfarb besluit: 'Trotskisten waren nu eenmaal de intelligentste mensen, dat trok ons aan'.

Irving vroeg Bea uit. Ze gingen naar buitenlandse films, 'want we waren snobs', erkent Kristol in zijn autobiografisch essay: 'Na de derde of vierde film vroeg ik haar ten huwelijk; ze zei ja, misschien omdat ze genoeg had van de ondertitels.' Hun huwelijk geldt, in de woorden van hun vriend en voormalige geestverwant, de socioloog Daniel Bell (auteur van onder meer het bekende The End of Ideology) als 'het beste van een generatie.' ('Ik weet waarom hij dat heeft gezegd', bijt Bea mij toe. 'Hij heeft zelf een aantal vreselijke huwelijken achter de rug.') Ze legden min of meer hetzelfde traject af dat hen van de uiterste linkernaar de rechterkant van het politieke spectrum voerde. Kristol noemt zichzelf een voormalige neo-marxist, neotrotskist, neosocialist, neoliberal om ten slotte uit te komen bij het neoconservatisme. Himmelfarb doet minder aan neo's en ismes, maar ze spreekt hem niet tegen. Dat zegt genoeg.

Ze zijn klassieke Amerikaanse intellectuelen, van een generatie die zich er niet voor schaamde onpraktisch te zijn. Ze hebben geen rijbewijs, woonden jarenlang in een appartement aan de zuidkant van Central Park in Manhattan zonder er ooit een voet in te zetten, en geven geen televisie-interviews. Irving kan niet typen. Hij heeft de documentaire waarin hij prominent figureert (Arguing the World, 1997, over de New York Intellectuals Irving Howe, Nathan Glazar, Daniel Bell en Irving Kristol) niet gezien. Ze lezen, schrijven en geven lezingen.

Met tegenzin

Irving Kristol werd Republikein in 1974. 'In 1968 stemde ik nog op de Democraten. In 1972 stemde ik op Nixon, maar toen was de Democratische partij al overgenomen door de tegencultuur. George McGovern, die toen kandidaat was, schreef vanochtend een stuk op de opiniepagina van de Washington Post. Hij is tegen de oorlog in Irak! Eens een isolationist altijd een isolationist. Toen was hij tegen Vietnam. Een door en door fatsoenlijke man, daar niet van. Maar daar kon ik mijn stem niet aan geven.'

Himmelfarb: 'Onze stem destijds op meneer Nixon kan niet anders worden omschreven dan als een stem met tegenzin.'

Kristol: 'Twee jaar later, in 1974, heb ik de balans opgemaakt. De Democratische partij zou niet snel veranderen, dat was mij duidelijk. Toen ben ik overgestapt naar de Republikeinse partij.'

Himmelfarb: ik bleef lid van de Democraten, maar dat kwam meer door mijn passiviteit dan mijn overtuiging. Irving was echt een afvallige. Onze vrienden reageerden geschokt.'

Kristol: 'Ik was zelf geschokt. Ik kende geen enkele andere Republikein. Ik kwam uit een verlicht joods milieu in New York. Joodse New Yorkers werden geen lid van de Republikeinse partij. New York was a one party town.'

Himmelfarb: 'De media stortten zich op Irving. Een conservatieve intellectueel. Zoiets bestond toen nog niet.' Als ik suggereer dat veel joodse Amerikanen Kristol sindsdien zijn gevolgd, is ze geïrriteerd: 'Welnee! Het is een zeer kleine groep. Nog geen drie procent is Irving gevolgd. De meeste joodse Amerikanen zijn nog altijd zeer progressief. Progressief, en vredesduiven met betrekking tot Israël.' Als ik suggereer dat veel neocons Israël beschouwen als een buitenpost van de westerse beschaving, zegt Himmelfarb dat ze zich daarin kan vinden. 'Natuurlijk!', valt Kristol haar bij. 'De Islam wil Israël van de aardbodem vegen.'

Kristols grootste bezwaar tegen het liberalism richt zich op het onderwijs. 'Dat is volledig gericht op het veranderen van de wereld en het gedrag van mensen in plaats van op het overdragen van kennis. Toen wij jong waren kregen we les van communistische leraren. Zij waren in politiek opzicht radicaal, maar in cultureel opzicht behoudend. En ze waren heel streng. Ze stampten de kennis erin. Het drillen van studenten, dat is nu volledig verdwenen. Verandering van het onderwijs is echt een tough nut to crack. Een van de laatste bolwerken van de Democratische partij is de onderwijsvakbond. Die geeft zich niet zo maar gewonnen. Een ander probleem is dat de meeste Republikeinen geen belangstelling hebben voor de 'cultuuroorlog'. Het zijn nog steeds zakenmensen. Ze hebben er geen idee van wat er in het onderwijs gebeurt. Nee, hier hebben de liberals nog steeds de overhand.

Een ander gebied is het rechtssysteem. Al die juristen die zeggen dat we te veel gevangenissen bouwen en te veel mensen in gevangenissen stoppen. Ik zeg: Geef ze de vrijheid en laten we dan eens kijken wat er met de samenleving gebeurt.'

Himmelfarb: 'Wat naar mijn idee in het onderwijs dreigt, is het verlies van respect voor traditie. En voor de subtiliteiten van de geschiedenis. Een voorbeeld. In de Amerikaanse grondwet werd een zwarte slaaf geteld als drievijfde van een persoon. Slaven waren het bezit van blanken in het Zuiden, dat bezit werd meegeteld bij verkiezingen. Zwarte radicale academici zeggen nu: ”Een grof schandaal, hoe konden ze dat in de grondwet verankeren.” Welnu, de reden waarom de grondleggers dat deden was dat de grondwet anders niet zou zijn aangenomen. Het was onderdeel van een compromis. De Zuidelijke afgevaardigden zouden er hun goedkeuring niet aan hebben verleend. Maar dat is voor radicale academici geen geldig argument. Zij zeggen: 'Het was immoreel. Dan hadden we de Verenigde Staten vanaf het begin moeten opsplitsen in twee naties.' Ze haalt haar schouders op. 'Dat bedoel ik met gebrek aan respect voor traditie.'

Cultuuroorlog In de jaren '90 bewoog Himmelfarb zich in het centrum van de cultuuroorlog. Ze keerde zich tegen 'de intellectuele en morele zelfmoord' van het multiculturalisme en het postmodernisme. Himmelfarb: 'Ik ageerde tegen de heersende cultuur op universiteiten. Vanaf dat moment gold ik als een conservatieve historica. Iedereen wilde dat ik over de cultuuroorlog sprak, schreef, mij erover opwond. Het was zeer vermoeiend. Ik voelde me een schreeuwlelijk, een preuts mens. Ik heb geen enkele behoefte meer om mij erover uit te laten.'

Kristol: 'Alles wordt gesimplificeerd. Kijk naar de kwestie van het homohuwelijk. Constitutionele rechters, die zijn beïnvloed door progressieve ideeën op universiteiten, zeggen relativerend: ”Waarom niet? Moet kunnen.” Maar ik stel daar tegenover: ”Zoiets is er nog nooit geweest in de geschiedenis. Waarom zouden we het nu dan proberen?” De progressieve media tonen zich verbaasd door de religieuze reactie, maar dat zegt meer over hen dan over deze religieuze groeperingen. Een samenleving zonder respect voor traditionele waarden is onleefbaar.'

Himmelfarb: 'Onze zoon neemt zijn godsdienst serieuzer dan wij.' Kristol: 'Hij leeft in de suburbs. Daar tellen maar twee dingen: school en kerk. Wij zijn nooit suburbanen geworden. We wonen nu in Washington, maar we zijn eigenlijk New Yorkers. Maar die stad was eind jaren '80 onleefbaar. Daarom zijn we vertrokken.'

Himmelfarb: 'Mensen als Kristol (haar zoon), Abrams (Elliott Abrams, Midden Oosten-gezant), Wolfowitz (Paul Wolfowitz, onder-minister van Buitenlandse Zaken) en Perle (Richard Perle, defensieadviseur) houden zich niet bezig met politieke listigheidjes. Hun argumenten zijn filosofisch onderlegd. Ze zijn zeer goed opgeleid. Ze hebben hun Plato en Aristoteles gelezen en ook nog eens onthouden wat zij lazen.' En dan nog iets: 'Ze zijn zeer grappig. Ze hebben niets gewichtigs.'

Ik vraag of ze zich bezighouden met de buitenlandse politiek. En of ze zich in dat opzicht ook neocons wanen. Himmelfarb: 'Het is belachelijk dit een neo-conservatieve regering te noemen. Mensen als Cheney en (minister van defensie) Don Rumsfeld zijn gewone conservatieven, hun hele leven al geweest.' Kristol schiet uit zijn slof: 'Buitenlandse politiek heeft mij nooit aangetrokken. Het is intellectueel niet stimulerend, hoewel academici allemachtig hun best doen het interessant te maken door het te mystificeren. Ze noemen het dan internationale betrekkingen.' Hij lacht schamper. 'Mijn oriëntatie was en is de buitenlandse politiek van de voormalige Sovjet-Unie die eigenlijk geen politiek was: je verovert wat je kunt veroveren. En je wacht tot de tegenpartij een fout maakt. Je ondermijnt wat je kunt ondermijnen. En je wacht tot de tegenpartij verzwakt. Amerika moest zich daar tegen teweerstellen, zo simpel was het. Het is het niet waard er langer dan vijf minuten over na te denken.'

Kristol is zijn hele leven een felle anticommunist geweest. In 1952 schreef hij in het maandblad Commentary wat hij in zijn autobiografische schets betitelt als zijn 'meest controversiële essay', waarin hij fel uithaalde naar fellow travelers: liberals die in zijn ogen niet genoeg afstand namen van het regime in Moskou. Een zinsnede uit het essay is bijna net zo beroemd geworden als zijn latere definitie van een liberal: 'Er is een ding dat het Amerikaanse volk weet van senator McCarthy: hij is net als zij zonder voorbehoud anticommunistisch. Van de woordvoerders van het American liberalism weten ze dat niet zeker. En met enige rechtvaardiging.' Kristol heeft altijd gezegd dat het essay verkeerd is begrepen. Hij wilde McCarthy niet vergoelijken, maar de in zijn ogen 'intellectueel laffe' houding van liberals aan de kaak stellen.

Murphy Brown

Aan de muren van Bill Kristols kantoor hangen foto's van een jonge Kristol met oud-president Ronald Reagan, met voormalig premier van Groot-Brittannië Margaret Thatcher en met Dan Quayle, de sullige vice-president van George Bush sr. Bill Kristol heeft twee regeringsfuncties bekleed, voordat hij zich als publicist vestigde. Hij werkte eerst onder William Bennett, destijds minister van Onderwijs in de regering-Reagan. Eind jaren '80 werd hij stafchef van Quayle.

Kristol geniet nu faam als buitenlanddeskundige, maar net als zijn vader verwierf hij bekendheid als cultuurcriticus. Hij was de architect ('met twee tekstschrijvers') van de roemruchte Murphy Brown gezinswaardenrede van Quayle in 1992. Het televisiepersonage Murphy Brown uit de gelijknamige televisieserie zou als alleenstaande moeder het verkeerde voorbeeld geven. 'Verrassend', zegt hij nu, 'hoeveel stof dat destijds deed opwaaien. De hele progressieve gemeenschap viel over ons heen. Daar hebben we een aantal weken lol van gehad. En weet je wie het tij keerde?' Ik weet het niet. 'Bill Clinton', zegt hij met satanisch genoegen. 'Hij zei dat Quayle gelijk had. Hij maakte zich ook zorgen over het verval van het traditionele gezin.'

Van Murphy Brown naar Janet Jacksons wardrobe malfunction in de pauze van de football-finale op 1 februari is maar een kleine stap. In tegenstelling tot veel geestverwanten windt Kristol zich er niet over op. 'Als op zichzelf staand incident is het de moeite van een artikel niet waard', zegt hij. Bloot en sado-masochistische seks zijn op mtv en aanverwante kabelstations aan de orde van de dag. Maar de backlash is wél interessant. Die was veel heviger dan iedereen aanvankelijk vermoedde. Het publiek dat naar de reguliere kanalen als cbs kijkt, is doorgaans niet geïinteresseerd in mtv dat alleen op kabel is te ontvangen. En het omgekeerde is ook het geval. Nu kwamen beide markten elkaar tegen, en dat leidde tot een culture-clash. De grote media-organisaties en de football-bond zijn bedolven onder de protesten. Zij veinzen onschuld, maar zij waren wel degenen die mtv in huis haalden, omdat ze jongeren bij de football-finale wilden betrekken. De grote media-organisaties zijn nu gewezen op de grenzen van hun jacht naar kijkcijfers. Het is de vraag of er iets structureel zal veranderen, maar de kracht van de protesten is niemand ontgaan. Het is eens te meer een bewijs dat de progressieve secularisatie van de maatschappij verder is doorgeschoten dan velen lief is. Een ethisch reveil is zo gek nog niet.'

Hij heeft, zegt hij, een redacteur van The Weekly Standard opdracht gegeven een redactioneel commentaar te schrijven over de affaire-Janet Jackson.

Welnu: 'Iedere beschaafde samenleving erkent dat seks zowel een zegening kan zijn als een wapen', schrijft Christopher Caldwell in The Weekly Standard van 16 februari namens de hoofdredactie. 'Het meest verwerpelijke aan de show was niet dat de borst van Janet Jackson werd getoond, maar dat we blijkbaar opgewonden moesten raken van (popzanger Justin) Timberlake die haar kleren van haar lichaam scheurde. Als dit het volk onberoerd heeft gelaten, kunnen we volgend jaar misschien een verkrachtingsscène tijdens de Super Bowl tonen, en het jaar daarop een mens offeren.'

De kloof tussen de Verenigde Staten en Europa wordt inderdaad steeds groter.

Menno de Galan schrijft regelmatig voor M. Hij werkt bij de actualiteitenrubriek NOVA.

Dana Lixenberg is fotograaf te New York.

[streamers]

'Irak was voor 90 procent het idee van Bush zelf, de overige 10 procent nemen wij voor onze rekening.'

'Amerika kan het zich niet veroorloven het ontstaan van internationale dreigingen passief af te wachten.'

'De Republikeinen zijn veranderd van een partij met het hart en de ziel van een boekhouder in een volkspartij.'

'De media stortten zich op Irving. Een conservatieve intellectueel bestond toen nog niet.'

Gertrude Himmelfarb (82) en haar echtgenoot Irving Kristol (84), de ouders van Bill Kristol.

Bill Kristol, uitgever en hoofdredacteur van The Weekly Standard.