Zuinig zijn op tbs

Instellingen voor delinquenten die ter beschikking van de regering zijn gesteld moeten ,,hechter samenwerken'' met de algemene psychiatrische zorg. Dat schrijft minister Donner (Justitie) aan de Tweede Kamer naar aanleiding van een inventarisatie van de toenemende druk die gestoorde delinquenten leggen op het strafrechtelijk apparaat. In bijna tien jaar is het aantal tbs'ers zo ongeveer verdubbeld. Samenwerking met de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) ligt om meerdere redenen voor de hand. De gemiddelde dagkosten van een tbs-plaats zijn ongeveer driemaal zo hoog als die van een gewone gevangenisplaats. Het aantal wachtenden voor zo'n plaats (de zogeheten passanten) is een voortdurend probleem. En aan de andere kant van het tbs-traject, de terugkeer naar de samenleving, zijn oud-tbs-klanten toch al gauw aangewezen op een vorm van GGZ-hulp.

Alleen al uit een oogpunt van efficiency ligt een herschikking van voorzieningen in de rede. Op de jaarvergadering van de Nederlandse Juristenvereniging werd twee jaar geleden zelfs de stelling verdedigd dat de tbs uiteindelijk als aparte sanctie kan worden afgeschaft. Het kan deels opgaan in een ,,zorgzame vrijheidsstraf'' en verder in ,,goed functionerende GGZ-voorzieningen''. Het valt echter te betwijfelen of dat wel zo verstandig is, waarschuwde de Utrechtse hoogleraar strafrecht Kelk onlangs op een bijeenkomst van het Psychiatrisch Juridisch Gezelschap. Over het socio-therapeutisch milieu hangt in het geval van gestoorde delinquenten immers altijd ,,de koepel van de veiligheid''. De eisen van beveiliging en behandeling, met daarbij ook nog oog voor de speciale eisen die de rechtspositie van veroordeelden stelt, is een combinatie ,,waar niet iedere medicus mee vertrouwd is'', zoals Kelk het elegant uitdrukt. De GGZ staat tot dusver niet te trappelen om deze taak er ook nog eens bij te nemen. En wat de zorgzame gevangenis betreft: in de Juristenvereniging werd met reden betwijfeld of het moderne gevangeniswezen, met ,,soberheid'' als hoogste gebod, wel geschikt is voor een ,,verstrekkende behandeling''.

In de tbs is in de loop der jaren met vallen en opstaan ,,een enorme know-how'' opgebouwd, betoogt Kelk. Dat lijkt vloeken in de kerk, nu juist de onvoorspelbaarheden en beperkingen van deze maatregel de aandacht trekken. Er wordt aangedrongen op meer wetenschappelijke evaluatie van de behandelingsmodaliteiten. In de praktijk is er ook voortdurend wat met tbs aan de hand. Als het niet de schadevergoeding aan passanten is, dan is het wel de ontbrekende wettelijke basis voor wonen buiten de inrichting van tbs'ers op proefverlof. En in Rotterdam is net een zaak aan de orde over de advisering over tbs aan de rechter door het Pieter Baan Centrum die mogelijk nog een hele nasleep kan hebben. Het zijn allemaal illustraties dat tbs ,,niet over rozen gaat', zoals Kelk het uitdrukt. Dat geldt overigens al voor de moeizame introductie van deze maatregel in het begin van de vorige eeuw.

Het ,,tweesporenbeleid'' met een aparte strafrechtelijke maatregel naast dealgemene GGZ heeft wel bijgedragen tot de reputatie van de Nederlandse strafrechtspleging tot buiten onze grenzen. Als de tbs opgaat in de GGZ zal de minister van Justitie trouwens toch altijd zeggenschap moeten behouden, want het gaat per slot van rekening om strafrechtelijk veroordeelden. Met twee kapiteins op een schip is het lastig varen. De vraag kan natuurlijk altijd worden gesteld waarom de tbs bij alle belangstelling uit het buitenland daar eigenlijk nooit navolging heeft gekregen. Een Engelse psychiater gaf daarvoor een interessante verklaring: nergens anders hebben strafjuristen zoveel gevoel voor de psychiatrie ontwikkeld en gedragsdeskundigen zoveel gevoel voor juridische verhoudingen als in Nederland met name sinds de Tweede Wereldoorlog is gebeurd. Deze observatie lijkt haaks te staan op een zaak zoals die nu in Rotterdam speelt, maar het is juist dit soort confrontaties die beide partijen scherp houden. Zo bezien is de tbs iets om zuinig op te zijn.