Wij zijn geen volk

Een jaar lang reisde Geert Mak langs de Europese `lieux de mémoire' om te zien hoe het continent ervoor staat – en hoe het zover is gekomen. Zijn net verschenen, meer dan 1.200 bladzijden dikke, elektrificerende boek maakt de Europese twintigste eeuw tot `onze' historie. In meervoud, want de verschrikkingen hebben overal andere mythen nagelaten.

In Parijs, de eerste halte op de rondreis die de schrijver Geert Mak in 1999 maakte door Europa, worden de seconden tot het jaar tweeduizend afgeteld op dezelfde Eiffeltoren die honderd jaar eerder geflankeerd werd door het `Elektriciteitspaleis', een gebouw waarin een wereld van eeuwig licht zich aankondigde. Maar tegelijkertijd woedde de Dreyfus-affaire, die een eerste tijdbom legde onder de symbolen van la grande patrie.

Veertien jaar later ontplofte die bom, niet alleen voor Frankrijk maar voor alle grote Europese imperia: het Duitse, het Habsburgse, het Britse en niet te vergeten het Ottomaanse, dat – schrijft Geert Mak in zijn nieuwe boek In Europa – minder versleten was dan vaak wordt gedacht. Europa struikelde de Eerste Wereldoorlog in, met een blinde fataliteit die Mak weergaloos oproept. Op de volgende bladzijden wijkt het geschiedenisboek voor de reportage en staat hij in het Weense legermuseum voor de vitrine met het bebloede uniform van Franz Ferdinand, neergeschoten in Sarajevo. Het volgende bedrijf: Diksmuide, waar het landschap nog steeds bedrieglijk lijkt op dat van 1914, zoals dat is geschilderd op een aquarel die een vriend van Mak ooit op een rommelmarkt vond. De getuigenissen van meer dan 100-jarige oud-strijders komen bij Mak uit een BBC-documentaire en de dagboeken van Ernst Jünger. En dan wordt het steeds ondraaglijker in Europa: Verdun en Passendaele, de mitrailleur en mosterdgas, en soms vele tienduizenden doden op één dag.

Mak reisde een jaar lang kriskras door Europa en deed daar in korte berichten op de voorpagina van deze krant dagelijks verslag van. Het was een reis door de ruimte én door de tijd. In de loop van een jaar doorliep Mak de hele geschiedenis van de twintigste eeuw, trekkend langs al die lieux de mémoire die samen het archief van de recente Europese historie vormen.

Ruw geschat moet Mak dat jaar zo'n driehonderd berichtjes naar de krant hebben gezonden, vanuit Sarajevo en Verdun, Versailles en Auschwitz, Guernica en Odessa, Neurenberg en Brussel, Tsjernobyl en opnieuw Sarajevo. Zij vormden de basis van zijn nieuwe boek, In Europa, dat met zijn ruim twaalfhonderd bladzijden een bestandsopname van het oude continent wil zijn. Hoe is het, op de wende van de twintigste en de eenentwintigste eeuw, met Europa gesteld? Het antwoord moest komen van een terugblik en een herformulering van de vraag. `Hoe staat het er met Europa voor?' werd: `Hoe is het met Europa zover gekomen?'

Aan reportages en sfeertekeningen had Mak voor het geven van dat antwoord niet voldoende. Hij interviewde tientallen medespelers in de grote en kleine gebeurtenissen van de Europese geschiedenis: van Wilhelm-Karl Prinz von Preussen, kleinzoon van de laatste Duitse keizer, tot de Hongaarse schrijver György Konrád, van de Nederlandse oud-premier Ruud Lubbers tot de negentigjarige Italiaanse verzetsman Vittorio Foa. Dagboeken en memoires legden de herinneringen bloot van nog veel meer getuigen, die niet meer in leven zijn. Een leeslijst van zo'n vijfhonderd boeken hielp bij het zoeken naar de details van het verleden en soms het trekken van de grote lijnen.

Het beeld dat uit In Europa opdoemt is grimmig. De grote verschrikkingen van de twintigste eeuw domineren het beeld: twee wereldoorlogen, een handjevol totalitaire regimes en vooral een onverschillige en daardoor eens zo wrede verkwisting van mensenlevens. En dat terwijl de eeuw zo rooskleurig begon. Werkloosheid zou verdwijnen, rechtvaardigheid zou heersen en de techniek zou een einde maken aan de moeiten des levens. Toch hangt er ook in 1900 al een vage dreiging in de lucht, zoals Maks beschrijving van Parijs laat zien: de oude wereld zal eerder uit zijn hengsels worden gelicht dan dat de deur soepel zal openzwaaien naar een zonnige toekomst.

Nieuw zijn die feiten uit Maks relaas niet, en de verhalen zijn al honderden keren verteld. Dat geldt voor die uit de Eerste Wereldoorlog net zo goed als voor die over de naoorlogse ontreddering in Duitsland, de Spartakistenopstand, de hyperinflatie en hoe die met één even geniale als gewaagde blufpokerzet van Gustav Stresemann weer werd beteugeld. Maar in Maks journalistieke heen-en-weer tussen geschiedschrijving en reisverhaal, toen en nu, historisch panorama en het miniem detail, krijgt deze historie iets elektrificerends. Zelfs de verre uithoeken daarvan, zoals (geografisch) Lenins tocht via Duitsland en Finland naar Sint-Petersburg of (mentaal) de Materialschlacht van '14-'18 waar Nederland buiten bleef, verschijnen daarin onmiskenbaar als delen van onze historie. Dat wil zeggen: als het verleden van een Europa dat spreekt in de eerste persoon meervoud.

Die herkenning is des te opvallender omdat ze zelden aangenaam is. Van enige nostalgie naar de oude, behouden tijd is in In Europa weinig te bespeuren. Mak zwijgt niet over de rust en het behoud van tradities van de Europese plattelandsgebieden, en nog minder over het onweerstaanbare kosmopolitisme van de Weense koffiehuizen, wier charmes zich vandaag de dag lijken te hebben geconcentreerd op hun core-bussiness: Kaffee mit Kuchen. Maar over de eerste hangt ook bij hem de grauwsluier van het gebrek en een vaak feodale achterlijkheid, terwijl in de tweede de naderende doem zich al aankondigt.

Wanneer die komt, stelt hij alle eerdere verschrikkingen in de schaduw. In de Eerste Wereldoorlog vormden burgers vijf procent van alle slachtoffers, schrijft Mak; in de Tweede is dat opgelopen tot vijftig procent. De absolute aantallen overtreffen alle voorstellingsvermogen, de wijze waarop de meeste van deze slachtoffers omkwamen eveneens. Mak beschrijft als een ooggetuige het onherkenbaar geworden Stalingrad, het getto van Warschau, letterlijk verdwenen onder een park, het Poolse stadje Zamosc, even lieflijk als onbekend en toch het toneel van `veruit de grootste stads- en dorpsmoord uit de twintigste eeuw', omdat de SS het stadje tot een raszuivere kolonie wilde ombouwen. Van alle Russische mannen die in 1922 geboren werden overleefde maar drie procent de oorlog.

Wat de troepen van Hitler niet deden, deed Stalin zelf wel en daar had hij de Tweede Wereldoorlog niet eens voor nodig. De showprocessen waarmee het regime zijn eigen kader opvrat zijn lang de meest spectaculaire tekenen van de verdorvenheid ervan geweest. Maar de bevolking leed, schrijft Mak, veel meer onder de opgelegde volksverhuizingen, de landonteigeningen waardoor de voedselvoorziening instortte en de bewust geprovoceerde hongersnoden. Zoals zo vaak komt de perversie van het bewind het scherpst tot uitdrukking in het detail. Bijvoorbeeld over Lavrenti Beria, chef van de staatsveiligheid en hoogste baas van de kampen van de Goelag. Zijn lijfwachten verklaarden later dat ze voor hun baas regelmatig mooie meisjes van de straat moesten oppikken, die vervolgens door hem thuis werden verkracht. Bij bouwwerkzaamheden rond zijn huis werd tien jaar geleden minstens een dozijn skeletten opgegraven.

Niet heel Europa werd geregeerd door seriemoordenaars en look-alikes van Marc Dutroux. Maar ook voor de geallieerde mogendheden telde het massale menselijke leed niet altijd even zwaar. De precisie van de bombardementen op Duitse steden, gericht op het maken van zoveel mogelijk slachtoffers onder de burgerbevolking, grenst in haar cynisme aan het onmenselijke. Dat zij werden uitgevoerd uit naam van een goede zaak en als reactie op soortgelijke aanvallen van Duitse zijde, neemt de walging niet weg over de geniepigheid waarmee naast brand- ook tijdbommen werden afgeworpen, zodat reddingswerkers en brandweerlieden na de aanval alsnog werden getroffen.

De militaire en industriële infrastructuur werd daardoor niet wezenlijk beschadigd. Het doel was een zo groot mogelijke shock and awe, waarna het Duitse moreel vanzelf wel zou inzakken, en vervolgens – zo verwachtte men – ook het bewind. Dat dit niet gebeurde, weerhield de NAVO er een halve eeuw later niet van dezelfde illusoire verwachtingen te koesteren bij de bombardementen op het Servië van Slobodan Miloševic, al waren die alleen tegen materiële burgerlijke doelen gericht.

Dat laatste is in ieder geval een teken van vooruitgang, zou een cynicus kunnen zeggen. En inderdaad is het, tegen het einde van Maks boek, bijna een opluchting wanneer in Roemenië tegen het eind van 1989 een volksopstand uitbreekt omdat de Securitate bij een betoging tientallen mensen heeft doodgeschoten. Hoe triest ook, na meer dan duizend bladzijden vol slachting en massamoord klinkt dat bijna als een bagatel. Toch is die opstand inmiddels belangrijk genoeg geworden om de loop van de geschiedenis te veranderen.

Er lijkt aan het slot van de eeuw werkelijk iets in Europa te zijn veranderd, ook al staan in Noord-Ierland katholieken en protestanten nog tegenover elkaar en hebben in het uiteenvallende Joegoslavië de bevolkingsgroepen elkaar afgeslacht. De gruwelijkheden die de eerste helft van de eeuw kenmerkten doen zich op dit continent na de Tweede Wereldoorlog nog maar mondjesmaat voor. Europa sluit zich aaneen, in een project dat aanvankelijk enthousiast wordt omarmd, maar waarover de scepsis mèt de successen ervan toeneemt. De schaduw die over de eerste helft van de eeuw gevallen is, laat zich zelfs in de zoveel gelukkiger tweede helft niet zomaar verjagen.

Ook in het boek van Mak – waarin de jaren tot 1950 bijna twee keer zoveel aandacht krijgen als die daarna – blijft de stemming tot aan het einde toe bedrukt, alsof ook hij nog altijd niet helemaal in Europa durft te geloven. De Unie waarin het werelddeel naar zichzelf aan het toegroeien is, is een kunstmatig monstrum waarin een absurd gedetailleerde wetgeving het dagelijks leven uniformeert, terwijl de grote politieke lijnen van buitenlands en defensiebeleid nog altijd worden uitgezet door de nationale regeringen. Europa wordt één in het kleine dat er niet toe doet, maar blijft verdeeld in het grote waarin het zich mondiaal nu juist zou moeten bewijzen, aldus Mak.

In de beleving van de Europese identiteit gaat het er nu juist omgekeerd aan toe. De Europese Unie is een top-down project van beleidsmakers waarmee de burger gevoelsmatig weinig te schaften heeft, constateert Mak aan het einde van zijn reis door de tijd en door het continent. Er bestaat geen Europees volk omdat er nauwelijks enige gedeelde historische ervaring is. Het bewijs daarvan komt hij op zijn rondreis voortdurend tegen: ieder land heeft zijn eigen mythe van de Tweede Wereldoorlog en op dat soort mythen steunt het nationale bewustzijn.

In Europa antwoordt dan ook met een op zijn best hoopvolle scepsis op de vragen waarmee het boek begint: heeft het begrip `Europa' enige inhoud en hoe is het inmiddels met het continent gesteld? De geschiedenis blijkt nog altijd de meest solide basis van de collectieve identiteit en wat dat betreft ligt Europa's toekomst in een verscheurd verleden. Hoewel het boek in veel opzichten doet denken aan De eeuw van mijn vader (1999), waarmee Mak dé volkshistoricus van Nederland werd, ademt het een heel andere geest. Wat daarin een nationale mythe kon worden, waarin de persoonlijke ervaringen en herinneringen van lezers konden samenvloeien tot een wij-gevoel, blijft hier verstrooid liggen over een heterogene geschiedenis waarvan de pijn nauwelijks wordt verzacht.

Die laatste twee dingen liggen in elkaars directe verlengde. Historie is een verhaal waarin het verleden niet alleen vorm maar ook betekenis krijgt. Daarin raken zelfs de pijnlijkste momenten uiteindelijk met het heden verzoend. Alle vreugde en ellende komt tenslotte samen in het besef van een gemeenschappelijke identiteit. Vaderlandse geschiedenis is altijd een soort familiegeschiedenis geweest, en wat dat betreft had Mak het in De eeuw van mijn vader onbedoeld gemakkelijk. Door de lotgevallen van zijn eigen familie centraal te stellen, maakte hij de twintigste eeuw van de weeromstuit tot het verhaal van één grote Nederlandse verwantschap. Op miraculeuze wijze kon het zo voorzien in de behoefte aan een hernieuwde nationale identiteit.

Met Europa lukt dat niet, hoewel Mak ook hier de grote geschiedenis voortdurend verbindt met het lot en de getuigenissen van vaak gewone individuen. Hoe indringend hun verhaal ook is, ze worden nooit werkelijk familie van de lezer, omdat ze om te beginnen onderling geen familie zijn en het verhaal daardoor een historie van verbrokkeling blijft.

De ironie wil dat de twintigste eeuw in Europa wel met zo'n familiehistorie had kunnen beginnen. De meeste vorstenhuizen waren met elkaar verwant en die verwevenheid stond in de ogen van menigeen garant voor een toekomst zonder oorlog. Het liep dramatisch anders en daarmee werd de twintigste eeuw een verweesd tijdperk dat in wanhoop maar al te vaak zijn heil zocht bij valse vaders.

En toch is het in het boek van Mak opvallend hoe een Europese eenwording vanaf het allereerste begin bij staatslieden op de agenda stond. Verrassend vaak werden er concrete plannen voor gesmeed, die op het laatste moment steeds weer strandden. Wanneer zij eindelijk lukken, gebeurt dat onder de schaduw van een halve eeuw verschrikkingen. En wanneer tegen het einde van de eeuw de Europese Unie bijna het hele continent gaat omvatten, hangt er opnieuw een dreiging overheen. De recent bevrijde Oost-Europese landen mogen ter wille van de Europese vrede niet te veel worden teleurgesteld in hun verwachtingen.

Ook dan kleurt het verleden het heden opnieuw in sombere tinten en is het eerder de angst daarvoor dan de hoop op de toekomst die de doorslag geeft. Onvermijdelijk blijft het verhaal daardoor onafgesloten. Er is nog geen Europese familie die in dit verhaal de plaats zou kunnen innemen van de Makken uit De eeuw van mijn vader. De historie hangt nog even onbeslist in de lucht als het gevoel van een Europese familie-identiteit. De eeuw van Mak eindigt, in dat opzicht, te vroeg.

Meer dan het grote verhaal nu nog kan laten zien, tekenen zich echter de voorboden af van een gelukkiger laatste bedrijf. Er is een lakmoesproef voor het vaststellen van de gevoelsmatige grenzen van Europa, schrijft Mak ergens in zijn boek. Wanneer mensen op reis gaan naar Duitsland of Frankrijk en daarbij zeggen dat ze `naar Europa' gaan, weet je zeker dat je die grens hebt overschreden. Het is een plausibele test, die niet alleen maar voor de geografie maar ook voor de voortschrijding van het Europa-gevoel opgaat. Twintig jaar geleden kon je in Spanje die uitdrukking nog overal horen. Inmiddels nemen hoogstens bejaarden haar nog in de mond. Aan de universiteiten studeert een Erasmus-generatie die dankzij dat uitwisselingsprogramma met volstrekte vanzelfsprekend een deel van hun curriculum in een ander Europees land afwerken.

Gaandeweg ontstaat er een Europese bevolking die, over de barrières van taal en afkomst heen, het continent als haar natuurlijke levensruimte leert bereizen en bewonen. Dat leidt niet plotseling tot een mentaliteitsverandering, maar deze voltrekt zich zonder veel trommels en trompetten wel degelijk. Spectaculair hoeft het Europa-gevoel niet te zijn. In zekere zin blijkt de vanzelfsprekendheid ervan juist uit het stilzwijgende karakter ervan, zoals dat met ieder gevoel van identiteit gaat. Zoals wij pas in het buitenland merken hoe Nederlands we eigenlijk zijn, zo ontdekken we onszelf pas buiten het continent als Europeanen. Intussen zijn zelfs de massaslachtingen in Verdun ons per slot van rekening nog altijd meer nabij dan de recente gruwelen in Ruanda, hoe pijnlijk dat voor ons humanitaire en kosmopolitische geweten ook is.

In Europa is het verhaal van een onvoltooide en daardoor in veel opzichten nog onverwerkte geschiedenis. Dat is zonder enige twijfel de situatie waarin het continent zich nu bevindt. Intussen groeit een generatie op waarvoor de scheidslijnen uit het verleden beginnen te vervagen. Nog even en het vult zich – met dank aan Erasmus – met Europese mengfamilies die dan eindelijk tot verzoening kunnen komen met die verdoemde twintigste eeuw.

Geert Mak: In Europa. Reizen door de twintigste eeuw. Atlas, 1223 blz. €49,90 (geb.), €39,90 (pbk)