Vignetten

Begin 2000 vatten mijn toenmalige collega Galen Irwin en ik het plan op om met een aantal politicologiestudenten een onderzoekje te gaan doen naar criteria voor geslaagde integratie. Wij componeerden daartoe, met onze studenten, een tiental `vignetten', portretjes van fictieve allochtone medeburgers. De respondenten (een groep van willekeurig geselecteerde, onbekende, autochtone Nederlanders) moesten de geportretteerde allochtonen een rapportcijfer geven, waarbij een 10 stond voor een volmaakt geslaagde integratie en een 1 voor een volledig mislukte.

De top-allochtoon volgens onze respondenten was Hassan. Dat verbaasde ons niet. Hassan had een mbo-opleiding en een goede baan en ging uit met zowel autochtone als allochtone vrienden. Wat ons wel verraste was dat de nummers 2 en 3 op de ranglijst allebei geen baan hadden.

Ali dertig, werkloze kunsthistoricus en Zahra huisvrouw, als vrijwilligster actief op de school van haar kinderen scoorden aanmerkelijk hoger dan Khadya, die een baan had in het onderwijs. Ali en Zahra leken hun hoge score te danken te hebben aan het feit dat zij, in tegenstelling tot Khadya (die zich te midden van Nederlanders minder op haar gemak voelde), autochtone vrienden en kennissen hadden. In een enkel geval leek het hebben van Nederlandse vrienden zelfs nog belangrijker dan het spreken van de Nederlandse taal: Wahid, die maar een klein beetje Nederlands sprak en vooral in het Engels converseerde met zijn Nederlandse vrienden, scoorde toch altijd nog heel behoorlijk.

Je mag hier best werkloos, uitkeringsgerechtigd of huisvrouw zijn, je hoeft de taal niet vlekkeloos te beheersen, maar we vinden het niet leuk als je hier woont terwijl je eigenlijk een hekel hebt aan autochtone Nederlanders. Dan beschouwen we je als niet-geïntegreerd. Dat leek zo ongeveer de centrale boodschap van ons vignettenonderzoek. Ik ben benieuwd of de Stichting Economisch Onderzoek, die in opdracht van minister Verdonk een vergelijkbaar opinie-onderzoek wil houden, soortgelijke resultaten zal aantreffen.

Als dat zo is, is de logische vervolgvraag natuurlijk wat je daar als politicus voor consequenties aan zou kunnen verbinden. Verdonk is kennelijk van plan om het Sociaal en Cultureel Planbureau jaarlijks te laten inventariseren hoeveel niet-geïntegreerde allochtonen er nog zijn, wellicht vanuit de gedachte dat dit percentage, door de aanpak van het kabinet-Balkenende, mettertijd drastisch zal dalen.

Maar je zou natuurlijk meer kunnen bedenken. Als de SEO, net als wij destijds, zou constateren dat de softe dimensies van integratie er voor Nederlanders méér toe doen dan harde criteria zoals het hebben van werk, dan zou dat een belangrijke reden kunnen zijn om te streven naar desegregatie in de huisvesting en in het onderwijs. Puur economisch gezien is desegregatie misschien niet strikt noodzakelijk: sommige zwarte scholen slagen erin behoorlijke resultaten te behalen en economen constateren nogal eens dat `etnisch ondernemerschap' in allochtone buurten goede kansen biedt om een acceptabel inkomen te verwerven. Maar om autochtone vrienden te kunnen maken, moeten allochtone medeburgers regelmatig een autochtoon tegen het lijf lopen, daar valt niet aan te ontkomen.

Je zou voorts kunnen waarschuwen

tegen onbekookte plannen van links of rechts om nieuwe vormen van arbeidsmigratie te entameren. In een recente bundel onder redactie van Han Entzinger en Jelle van der Meer (Grenzeloze Solidariteit, De Balie 2004) pleiten diverse links angehauchte auteurs voor circulaire arbeidsmigratie en tweederangs burgerschap. Laat migranten uit arme landen hier binnen om tijdelijk werk te verrichten in kassen, fabrieken of de huishouding, maar geef hun geen toegang tot de verzorgingsstaat, zo is de gedachte. Op die manier hebben wij een goedkope werkster, zij verdienen geld om naar huis te sturen en de Nederlandse staat verliest er niets bij, want de migrant bouwt nauwelijks sociale rechten op en komt niet in aanmerking voor kinderbijslag, bijstand, huursubsidie of een woning in een Vinex-wijk. Entzinger en Van der Meer werden direct bijgevallen door publicist Joshua Livestro, tot voor kort verbonden aan de conservatieve Edmund Burke stichting. Rechts ziet ook veel liever economische gelukzoekers die hier hard willen werken dan zielige (nep)vluchtelingen die verdwijnen in ,,het zwarte gat van de sociale voorzieningen'', aldus Livestro. Hij mag dat zo zien, Entzinger en Van der Meer kunnen het misschien tot op zekere hoogte zo zien, maar ik betwijfel of de gemiddelde burger het zo ziet. Op basis van ons kleine vignettenonderzoek veronderstel ik dat het de gemiddelde burger niet veel uitmaakt of ,,ze hier komen om een uitkering te krijgen'' dan wel hier verschijnen om ,,onze banen af te pakken''. Ze moeten hier vooral komen, omdat ze ons en ons soort samenleving waarderen. Als ze dat doen, zijn ze geïntegreerd, horen ze bij ons en hebben ze net zoveel recht op een baan of een uitkering als wij allemaal.

Liever dus een getraumatiseerde politieke vluchteling die hier nieuwe vrienden zoekt en hier een thuis hoopt te vinden dan een economische gelukzoeker die onze politieke gemeenschap als een lucratieve tijdelijke werkplek beschouwt en die na gedane arbeid opgelucht terugkeert naar zijn eigen land.

Maar laten we niet op de zaken vooruitlopen en rustig afwachten wat de SEO ervan maakt.