Snel langs het Wilde Wonen

Lange tijd bestond er geen behoorlijk geschiedenisboek van de moderne Nederlandse architectuur. Er was het beroemde `groene' boek van de Italiaan Fanelli, met veel feitelijke gegevens over architecten, maar dat ging niet verder dan de jaren zeventig. De laatste tien jaar is daar verandering in gekomen. Hans van Dijk, Hans Ibelings, Joseph Buch – allemaal hebben ze inmiddels een nieuw geschiedenisboek van de moderne Nederlandse architectuur op hun naam staan. Daar heeft Paul Groenendijk, co-auteur van de succesrijke Gids voor de Nederlandse architectuur, nu de zijne aan toegevoegd in de (goedkope) serie `in een notendop'.

In een sobere, leesbare stijl schetst Groenendijk een evenwichtig beeld van de moderne Nederlandse geschiedenis. Terwijl historici vroeger vaak de neiging hadden om de moderne architectuurgeschiedenis vooral te beschouwen als de geschiedenis van het modernisme, geeft Groenendijk ook ruim aandacht aan het traditionalisme van de Delftse school. Een architect als Co Brandes, die geen vernieuwer was, maar wel een groot en goed oeuvre in vooral in Den Haag op zijn naam heeft staan, is evenmin vergeten. En aan het eind van zijn boek gaat Groenendijk nog uitgebreid in op de opmerkelijke late, maar misschien daardoor des te grotere doorbraak van het postmodernisme en neotraditionalisme in Nederland in het laatste decennium van de twintigste eeuw.

Stromingen en gebouwen behandelt Groenendijk grotendeels in neutrale bewoordingen. Heel af en toen geeft hij blijk van een persoonlijke voorkeur voor een bepaald gebouw. Alleen in de epiloog, waarin hij in sneltreinvaart verschijnselen als Vinex-wijken en het Wilde Wonen behandelt, kan hij zich niet inhouden. Hoewel hij de woorden, in de geest van de neutrale toon van het boek, in de mond legt van `sommigen', lijkt zijn hekeling van het `incestueuze' karakter van een deel van de huidige Nederlandse architectuur toch een eigen hartenkreet. `Door de overheid met stipendia gesteunde architecten ontwerpen en bouwen door de overheid gesubsidieerde culturele voorzieningen', schrijft hij. `Vervolgens worden deze gebouwen in het door de overheid gesubsidieerde Nederlands Architectuurinstituut tentoongesteld en in door de overheid gesubsidieerde luxueuze prachtboeken beschreven door eveneens door de overheid gesubsidieerde architectuurcritici.'

Jammer genoeg laat Groenendijk het hierbij. Het typisch Nederlandse fenomeen, dat wellicht ook een verklaring biedt voor het lauwe, onpolemische karakter van de Nederlandse architectuur, verdient een nadere beschouwing. Maar wellicht gaat dit, zo gebiedt de eerlijkheid te zeggen, te ver voor de korte introducties in een bepaald onderwerp die de notendop-boekjes nu eenmaal zijn.

Paul Groenendijk: De Nederlandse architectuur in een notendop. Wat iedereen over de bouwkunst in ons land moet weten. Prometheus, 198 blz. €10,-