Mode.Kom

Ooit was er het Nederlands Modemuseum, in een statig pand aan de Haagse Lange Vijverberg. Toen dat in 1984 werd opgeheven ging de collectie – de grootste historische kostuumcollectie van Nederland – naar het Haags Gemeentemuseum, dat er al snel danig mee in de maag zat. In 1990 liet de toenmalige directeur Rudi Fuchs weten de verzameling niet goed te kunnen verzorgen. De huidige directeur, Wim van Krimpen, windt er ook geen doekjes om: hij is die collectie liever kwijt dan rijk.

Het Centraal Museum in Utrecht beschikt eveneens over een uitgebreide verzameling kledingstukken en ook daar heeft de directeur, Sjarel Ex, er nooit een geheim van gemaakt dat deze voor hem `geen prioriteit' heeft. Het wekt dan ook geen verbazing dat Ex en Van Krimpen samen de Stichting Mode.Kom willen oprichten. De bedoeling van die stichting is om met andere musea die een kostuumcollectie hebben – het Rijksmuseum, Fries Museum en Rotterdams Historisch Museum – een nationaal mode-instituut met expositieruimtes en een documentatiecentrum van de grond te krijgen. Zo'n instituut zou deze musea ontslaan van de plicht om de kleding zelf aan het publiek te tonen.

Als het aan Wim van Krimpen lag, zouden de musea hun kostuumcollecties zelfs geheel van de hand doen en onderbrengen in een centraal depot. Van Krimpen stelde dit voor in een vergadering van de vijf musea. Maar omdat het Rijksmuseum zijn kostuums in eigen beheer wil houden, strandde dit voorstel.

Het plan voor een nationaal mode-instituut leek kansrijker: verschillende steden, zoals Amsterdam, Utrecht, Den Haag en Arnhem, hadden interesse voor het idee omdat zo'n instituut een meerwaarde kan geven aan bijvoorbeeld een winkelcentrum. Buitenlandse voorbeelden bewijzen bovendien dat een mode-instituut een succes kan worden. Dat het plan op de lange baan is geschoven, komt volgens Van Krimpen doordat de Mondriaan Stichting, die ook bij het overleg betrokken was, toen het erop aankwam geen startsubsidie wilde geven. Gitta Luiten, directeur van de Mondriaan Stichting, kan dat wel uitleggen: ,,Wij hebben steeds gezegd dat we het plan voor een nationaal mode-instituut graag willen steunen. Maar we vinden dat de vijf musea de afspraken over het beschikbaar stellen van hun collecties moeten vastleggen. Zodat wordt uitgesloten dat ze de populaire mode- en kostuumexposities, de grote klappers, toch in het eigen museum houden. Want dan zou zo'n instituut bij voorbaat mislukt zijn.''

Het initiatief van Ex en Van Krimpen is niet nieuw, het is een herhalingsoefening. In 1990 probeerden het Centraal Museum en het Haags Gemeentemuseum ook al een `centraal presentatiepunt' voor mode en kostuums op te richten om dit niet langer zelf te hoeven exposeren. Door geldgebrek mislukte die poging toen. Dat geld is er nu kennelijk wel.

Het siert Van Krimpen en Ex dat ze er rond voor uitkomen dat mode en kostuums volgens hen niet thuishoren in hun musea. Dat opent immers de weg voor alternatieven. Maar dan moeten ze ook niet te beroerd zijn om de zaak echt uit handen te geven en duidelijke afspraken te maken met de andere drie musea, zwart op wit, zoals de Mondriaan Stichting terecht eist.