`Je moeder, die slet'

Joba Katadreuffe, heldin uit `Karakter', is geïnspireerd door een autobiografisch getinte roman van een Zeeuwse ongehuwde moeder.

F. Bordewijk schiep de eerste literaire BOM.

`Ik geloof', schreef Menno ter Braak in 1931, `dat bijna iedere figuur in een boek zich leent, om weer door een ander tot ideaal-figuur te worden omgeschapen.' Uit deze opmerking blijkt welk belang hij hechtte aan goed uitgewerkte karakters waarover je als lezer dóór kunt blijven fantaseren. Hij was dan ook de enige criticus die na het verschijnen van Bordewijks beroemd geworden roman Karakter (1938) niet de bastaard Jacob Katadreuffe of diens vader Dreverhaven het interessantste personage vond, maar zijn trotse bewust ongehuwde moeder Joba. `Joba Katadreuffe is wel een van de beste en levendste romanfiguren, die Bordewijk ooit gecreëerd heeft', luidde zijn oordeel.

Desondanks heeft deze fiere Rotterdamse weinig sporen nagelaten in onze cultuurgeschiedenis. Zelfs de tweede feministische golf, sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw naarstig op zoek naar al dan niet fictieve historische role models heeft deze eerste literaire BOM, de geuzennaam waarmee Bewust Ongehuwde Moeders zich tooiden, nooit als voorbeeld omhelsd. Op de Internationale Vrouwendag, aanstaande maandag, zal de naam van deze heldin, die categorisch iedere afhankelijkheid van mannen afwees, nergens opklinken.

Wie was Jacoba Katadreuffe, waar en wanneer werd ze geboren, wat was haar achtergrond? En waarom wilde ze per se niet trouwen met A.B. Dreverhaven, de verwekker van haar zoon? Bordewijk geeft niet veel aanwijzingen, maar genoeg om ons een vrij nauwkeurig beeld van haar te kunnen vormen. Sterker: ik ben ervan overtuigd dat hij haar in gedachten van een complete biografie heeft voorzien die in tien jaar tijd heel precies in zijn hoofd is ontstaan.

De eerste contouren van de vrouw die zou uitgroeien tot Bordewijks interessantste personage doemen al op in de mislukte novelle Dreverhaven en Katadreuffe (1928), waarin ze figureert als de overleden ongehuwde moeder van de dertigjarige Jacob Katadreuffe. Alles wat van haar rest is een ingelijste foto aan de muur in het huis van Jacobs vader, de wrede deurwaarder Dreverhaven. Deze beul vernietigt dit portret in het bijzijn van de zoon en roept, uitzinnig van woede: `Je moeder!, die slet... Naar de hel ermee!'

Zoon Jacob weet in deze novelle niet beter dan dat zijn moeder door Dreverhaven verlaten is na door hem met jong te zijn geschopt. Als tien jaar later Karakter verschijnt, blijkt dat Bordewijk voor een interessantere uitleg heeft gekozen. In Karakter is Joba Katadreuffe niet dood, integendeel, ze overleeft zo glorieus dat de beul Dreverhaven, haar verkrachter en de kwelgeest van haar zoon, in haar zijn meerdere moet erkennen.

Op basis van de gegevens die Bordewijk in Karakter verstrekt kunnen we vaststellen dat Jacoba Katadreuffe, bijgenaamd Joba, in 1888 is geboren. In 1906 is ze als achttienjarige korte tijd als inwonende dienstbode werkzaam bij de ongeveer twintig jaar oudere ongehuwde deurwaarder Arend Barend Dreverhaven, die haar eind maart van dat jaar in zijn huis aan de Schietbaanlaan in Rotterdam verkracht en zwanger maakt. Hij bezweek voor haar `onschuldig schoon', zij `voor zijn kracht'.

Van de achtergrond van het meisje weten we alleen dat ze protestants is opgevoed en geen verwanten en vrienden heeft. Over haar vreemde achternaam Katadreuffe vermeldt Bordewijk slechts dat deze `op zijn Nederlands' moet worden uitgesproken. Over die naam is veel gespeculeerd. Criticus Anthonie Donker meende dat hij verband hield met de Rotterdamse wijk Katendrecht, anderen associeerden Katadreuffe met `katastrofe'.

De link met Katendrecht vindt geen enkele rechtvaardiging in de tekst. Mijn vermoeden is dat Joba zelfs helemaal niet afkomstig is uit Rotterdam. Nadrukkelijk stelt Bordewijk dat Joba `zonder plaatselijke klank' sprak: `Het lelijke plat Rotterdams' kwam niet over haar lippen. Gezien haar protestantse achtergrond, haar Frans klinkende achternaam en haar zwartbruine ogen ligt het voor de hand dat ze stamt uit een geslacht van Hugenoten, van wie velen zich in Zeeland vestigden. Zoals zoveel onbemiddelde meisjes in die tijd zal ze na de dood van haar ouders naar de grote stad zijn getrokken om werk te vinden als dienstbode. Daar verging het haar zoals veel van haar lotgenotes.

Eén van die – niet fictionele – lotgenotes was de nu totaal vergeten, in het Zeeuwse Yerseke geboren, Neeltje Lokerse (1868-1954), ijveraarster voor de rechten van ongehuwde moeders en dienstboden. Toen Neeltje van de lagere school kwam, werd zij dienstbode. Een van haar Haagse werkgevers, een ongehuwde man, verwekte een kind bij haar, maar weigerde haar te trouwen. Uit verontwaardiging over het onrecht en leed dat zij hierdoor ondervond, schoot ze in 1902 in zijn bijzijn een revolver af, niet om hem te vermoorden, maar om de aandacht te vestigen op wat haar en veel andere vrouwen was aangedaan. Die aandacht kreeg zij ook: zij belandde voor de rechter en haalde de landelijke pers. Haar geschiedenis kan Bordewijk niet ontgaan zijn. Ze hield lezingen in het hele land en in 1914 publiceerde zij de lijvige diep-christelijke roman Bertha van Doorn, over de dienstbode Johanna die net als zijzelf door een `heer' zwanger was gemaakt en in de steek gelaten.

Wie Karakter en Bertha van Doorn naast elkaar legt, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat Bordewijk de roman van Lokerse als bron gebruikt heeft voor de biografie van Joba Katadreuffe. Soms heeft hij situaties, zinsneden en beeldspraken letterlijk overgenomen, maar Karakter is tevens een modern feministisch antwoord op Bertha van Doorn. Joba is in alles het tegendeel van de bigotte Neeltje Lokerse. Terwijl Lokerse net als haar personages belijdend protestants bleef, speelde het geloof der vaderen voor de nuchtere Joba geen rol meer. Pas op latere leeftijd noemt ze voor het eerst de naam van God, tot verbazing van haar zoon. `Was ze godsdienstig? Hij had er nooit iets van gemerkt, al was ze van huis uit protestants.' Een ander verschil: Lokerse ijverde ervoor dat mannen tot een huwelijk met de moeder van hun kind konden worden gedwongen, terwijl Joba Katadreuffe er een eer in stelde onafhankelijk te blijven en eigenhandig de kost voor zichzelf en haar kind te verdienen.

De verkrachting verweet ze voornamelijk zichzelf. `Wat haar gebeurde was op de grens van een overweldiging, het was het niet geheel, en zij beschouwde het ook niet zo', schrijft Bordewijk. Een gedachtegang die ons tegenwoordig bekend voorkomt: hoeveel vrouwen hebben zichzelf niet aangepraat (of doen dat nog steeds) dat ze zelf verantwoordelijk zijn voor seksueel misbruik, omdat ze zich om wat voor reden dan ook niet genoeg hebben verzet? Ook de motieven van Dreverhaven om zich aan Joba te vergrijpen getuigen van Bordewijks scherpe inzicht in de materie. Het gebeurde toen de deurwaarder kwaad thuiskwam na een mislukte transactie. `Inwendig ziedend, en in een woede die hij verborg maakte hij zich meester van het meisje Joba Katadreuffe.' Met andere woorden: Bordewijk had al door dat seksuele intimidatie niet zozeer met lust als wel met machtsuitoefening te maken heeft.

Joba heeft dit ook in de gaten. Ze voelt zich diep vernederd, wat blijkt uit het feit dat ze na de verkrachting niet meer tegen haar werkgever spreekt. Dreverhaven denkt: ze draait wel bij, en als ze zwanger is trouw ik met haar. Maar mooi niet. Na een paar weken verbreekt Joba de stilte: `Ik ben in positie. Straks ga ik weg'. Even later hoort hij haar de voordeur sluiten , `niet nadrukkelijk, heel gewoon'. `Daar ging het jonge ding, met een puilende rieten koffer. Het was een stevig meisje met een fris gezicht met harde tanden en donkere, sprekende stroefkijkende ogen, bruin op zwart af en kleine roodachtige werkstershanden, dik, kinderlijk, stevig.' Bordewijk noemt haar ook `een verstandig meisje, dat niets had behoeven te leren, dat alles wist.' Maar kennelijk had ze net als Neeltje Lokerse wel degelijk lagere school gehad, ondanks het feit dat ze al twaalf was toen de leerplicht werd ingevoerd. Ze kon lezen (ze was geabonneerd op het in 1878 opgerichte Rotterdams Nieuwsblad) en schrijven.

Nadat ze de deur van Dreverhaven achter zich heeft dichtgeslagen laat Joba niets meer van zich horen. Ze verhuurt zich opnieuw als dienstbode en werkt door tot aan de bevalling, eind december 1906. Ze kon hard werken, had een gestel van ijzer, en werd door de één aan de ander aanbevolen. Ze hoefde niet naar de arbeidsbeurs, waar men haar ongehuwde staat zou hebben ontdekt.

Ze had een plaats in een kraamzaal besproken, waar haar rond Kerstmis een rampzalige bevalling wachtte. Bordewijk wekt de indruk dat het op het oog kerngezonde meisje een geheimzinnige ziekte onder de leden had, al dan niet opgelopen tijdens het `contact' met Dreverhaven. Uit de beschrijving die de behandelend arts geeft, valt op te maken dat ze aan `weeënzwakte' leed, wat hem na vele voor Joba martelende uren noopte tot een keizersnede die haar bijna velde. `Hij zag onder zijn instrumenten het bedwelmde meisje verwelken. Ze sloeg in een uur tijd het tijdperk der volwassenheid over, hij vreesde voor het hart, maar het hart bleef gezond. De zieke deed niets dan snel verwelken, gelijk een bloem in gifgas.' Later zal de arts tegen Joba's volwassen zoon zeggen dat zijn moeder de keizersnede nooit te boven is gekomen: `Ze heeft iets in haar gestel waar ik niets van begrijp, ik zeg het je ronduit. (...) In de operatiekamer zag je haar wegtrekken. Natuurlijk bleek het wel dat ze toch iets had, anders was de partus normaal verlopen, het was een eigenaardige casus van contractie, ze had een...'

De zoon wil het niet horen – en dus tasten we nog altijd in het duister naar wat Joba precies had. Mogelijk leed ze toen al aan tbc, de ziekte waaraan ze nog voor haar vijftigste zou sterven, en die Bordewijk `geleend' heeft van Neeltje Lokerses romanpersonage Johanna. Zij kreeg net als Joba Katadreuffe na de bevalling van haar zoon diepe groeven in haar gezicht en lag erbij `als een bloem die geknakt was in haar schoonheid'.

Bordewijk beschrijft hoe Joba vanaf de geboorte van haar zoon Jacob Willem aan iedereen duidelijk maakt dat het kind nooit een vader zal hebben. Ze zal zelf voor hem zorgen en doet dat zelfs in de zware oorlogsjaren 1914-1918 met verve. Consequent weigert ze geld en schriftelijke huwelijksaanzoeken van Dreverhaven, die zich hierdoor op zijn beurt vernederd voelt. Zijn brieven en postwissels stuurt ze terug. Ze woont in sloppen en houdt zichzelf en Jacob in leven met de verkoop van modernistisch borduurwerk. Joba, sinds de bevalling oud, broos en benig, met twee vouwen van felle verbittering langs haar mond, het eens mooie harde gebit door de geboorte verwoest, ontpopt zich als kunstenaar, een natuurtalent. Ze maakt de prachtigste ontwerpen in gewaagde kleurencombinaties. Haar kussenovertrekken, spreien en kleden verkoopt ze voor goed geld, waarmee ze zich door de crisis van de jaren dertig heenslaat.

Rond haar dertigste is ze `met haar ogen als kolen' nog altijd aantrekkelijk voor mannen. `Zij zagen niet de voren, het verouderd vel, het haar, niet slordig opgemaakt, wel slordig vergrijsd.' Een schipper, Harm Knol Hein, twintig jaar ouder dan zij, doet haar, inmiddels een hoestende teringlijdster, zelfs een huwelijksaanzoek. Ze mag dit `volkomen vierkant stuk mensenvlees, een loot van Rotterdam op zijn best' graag, maar weigert beslist. `Het ging niet. Zij zo een oud lijk, die gezonde vent, wat zag hij aan haar?' En als Hein vele jaren later nog eens aandringt, vraagt ze zich opnieuw af wat hij toch aan zo'n oud lijk vond, die gezonde kerel, `vooral nu ze nog zoveel ouder en zoveel meer lijk was dan toen.' `Ze zou nooit met hem trouwen, maar als ze jong was geweest en kuis gebleven dan wist ze het niet.'

Niet dat Joba preuts was of er een benepen seksuele moraal op na hield. Samen met haar `commensaal' (kostganger) en haar zoon bezoekt ze in de jaren dertig door de communistische partij vertoonde films van Eisenstein en Ekk, maar ook Bed en sofa van Abram Room, waarin een driehoeksverhouding centraal stond en die in Nederland door Centrale Commissie voor de Filmkeuring verboden werd wegens het overwegen van een abortus door een van de karakters. Joba's zoon noemde deze film `stuitend', `maar zij vond het mooi, mooi zonder meer, het was de film die haar het meest trof, ze was ruim van begrip.'

Nee, de reden waarom ze aanbidders afwijst is dat sinds de geboorte van Jacob haar seksuele gevoelens gedoofd zijn. Dat blijkt uit de beschrijving van haar verhouding tot Jan Maan, de communistische commensaal die sinds haar dertigste bij haar en haar zoon inwoont en die haar `moeder' noemt. Bordewijk laat merken dat Joba van hem houdt, van zijn uiterlijk, zijn geur. Maar `er stak daarin van haar kant niets zinnelijks, alleen iets behaaglijks.' Haar aard was volgens Bordewijk niet sensueel. `In haar gevoel voor Jan Maan stak geen zweem van seksualiteit – dat was gekheid, dat was al met de geboorte van het kind in haar vernietigd – maar ze was hem genegen zoals een vrouw zonder liefde een man genegen kan zijn, met een gesublimeerde moederlijkheid, want zonder het irritante van het bloed.'

Het `irritante van het bloed' bepaalt Joba's verhouding tot haar zoon, die – dankzij haar Spartaanse opvoeding en zijn van haar geërfde talenten en karakter (de titel van de roman Karakter slaat uitdrukkelijk op Joba) uit het niets zal opklimmen tot advocaat. `Voor haar zoon zorgde zij goed, zij was een weinig sprekende, straffe, onbuigzame, harde moeder, maar zij was goed', aldus Bordewijk. Omdat ze te veel op elkaar lijken ergeren ze zich aan elkaar. Jacob is erg koppig en gesloten en Joba zegt daarover: `dat had hij van niemand vreemd, zijzelf was ook zo dicht als een pot.' Ze wil het kind als het 21 is van zich af slingeren, hij moet op zichzelf gaan wonen, zelfstandig zijn. Je kind willen behouden, vindt ze verachtelijke weekhartigheid van dames. `Hij moest eruit, hij moest zijn eigen weg zoeken, zij had het ook gedaan. Hij moest uit zichzelf opklimmen.'

Op een herfstavond in 1933, Joba is dan 45 en al bijna gesloopt door de tering, komt Dreverhaven onaangekondigd langs. Ze heeft hem sinds de verkrachting één keer gezien, in zijn functie als deurwaarder. Nu komt hij voor een privé-bezoek: om haar opnieuw ten huwelijk te vragen. Joba antwoordt: `Nee meneer Dreverhaven, ik zal nooit met u trouwen, ik trouw met niemand. En u mag het gerust weten, ik heb geen enkele man nooit mogen lijden dan u. Zo was het en zo blijft het'.

Het is haar finale overwinning op Dreverhaven. De beul van Rotterdam, de schrik der armen en verdrukten, woekeraar, uitbuiter, vrouwenverkrachter, hoerenloper en machtswellusteling moet in haar zijn meerdere erkennen. `Zoals hij 25 jaar terug haar meerderheid had moeten erkennen in het geld en de brieven zo deed hij het ook nu.'

Na de afwijzing van zijn aanzoek dreigt hij Joba's zoon, die zich stom genoeg wél financieel van Dreverhaven afhankelijk heeft gemaakt, het leven onmogelijk te zullen maken. Hij chanteert Joba met haar zoon, maar ze trapt er niet in. `Hij kón haar niet bang maken (...), ze was niet bang voor hem en ook niet voor het lot van haar kind.'

Bij Dreverhaven roept haar houding ongeremde woede en gekrenkte gevoelens op. Hij beschouwt Joba als iemand die hem altijd heeft dwarsgezeten en die – het allerergste – voorkomen heeft dat zijn zoon zijn naam draagt. Maar in Karakter noemt hij haar geen slet meer die naar de hel moet. De slet uit de novelle Dreverhaven en Katdadreuffe betitelt hij nu als een heldhaftig klein grijs kreng, eraan toevoegend: `maar wat een ogen heeft dat kreng en die zoon van haar ook'. Want, concludeert Bordewijk, `er was een grimmige bewondering in zijn hart'.

Dreverhaven doorgrondt uiteindelijk Joba's karakter en begrijpt in een flits waaróm ze nooit met hem heeft willen trouwen. Omdat ze `alles van hem zou hebben aanvaard zo ze waren getrouwd'. Alles, dus ook: vernedering, mishandeling, verkrachting, alles wat afhankelijkheid in een huwelijk met zich kan meebrengen. Alles wat iemand met karakter niet kan verdragen.

Op Internationale Vrouwendag zou Joba Katadreuffes naam moeten opklinken

Bordewijk heeft hele zinsnedes overgenomen van Neeltje Lokerse