Hang naar prestige overschaduwt Dodenfeest

De Dodenfeesten der Toraja waren bedoeld om de ziel van de overledene naar het hiernamaals te begeleiden. Tegenwoordig worden ze overschaduwd door de zucht naar status in déze wereld.

Een glanzende, zwarte karbouw is het negende slachtoffer. Hij snuffelt ontdaan aan de plassen bloed van zijn acht voorgangers die levenloos over elkaar heen liggen. Een man knoopt een touw om de rechtervoorpoot van de buffel en slaat het andere uiteinde om een stenen zuil. Hij grijpt de neusring van de karbouw, tilt het zware hoofd met de lange horens op en strijkt de haren van de hals glad. Iemand reikt de man een vlijmscherp kapmes aan en hij slaat toe.

Een vaardige slachter zet het mes diep in de hals en maakt een snelle, zagende beweging om de slagader door te snijden. Dat lukt niet altijd. Soms duurt het sterven zo lang dat de buffel met een tweede of derde messteek uit zijn lijden moet worden verlost. Enkele zieltogende karbouwen brullen hartverscheurend, vergeefs naar adem happend. Mannen steken bamboekokers in de gapende kelen, om het gutsende bloed op te vangen en aan hun vrouwen te geven voor de sausbereiding.

Mantaa padang, de rituele slacht op de voorlaatste dag van het Dodenfeest der Toraja, is een mannenzaak. De dorpsgek trekt zich daar niets van aan. Zij waadt, een sigaret tussen de lippen en de sarong opgetrokken tot boven de knie, zwaaiend en zingend door de met bloed vermengde modder van de ceremoniële slachtplaats. `Sirik', roepen de mannen sarrend, ,,Je stinkt naar pis.'' De stemming is uitgelaten. Eén stervende karbouw breekt het touw om zijn voorpoot en maakt een wilde sprong naar het publiek dat joelend uiteen stuift.

Binnen anderhalf uur sneven achtentwintig buffels; een aanwezige schat hun marktwaarde op honderdduizend euro. Dan beginnen tientallen mannen, onder leiding van ouderen die de adat (het gewoonterecht) kennen, met het villen en uitbenen van de karkassen en wordt het vlees verdeeld. Ieder krijgt zijn deel: als aflossing van schulden en als betaling voor tijdens de ceremonie verleende diensten. De buffelkoppen gaan terug naar de schenkers. De gehoornde schedels worden bevestigd aan de gevels van de familiehuizen, tot meerdere eer en glorie van de clan.

Prestige, daar gaat het tegenwoordig om bij de dodenfeesten der Toraja, een bergvolk in het noorden van de Indonesische provincie Zuid-Sulawesi. De spirituele betekenis - de ziel van de overledene begeleiden naar het hiernamaals en de voorouders gunstig stemmen – is overschaduwd door de zucht naar aanzien in déze wereld.

Rond 1900 trokken Nederlandse zendelingen de bergen van Sulawesi in. De Toraja waren niet aangeraakt door de islam die domineerde in het laagland, en hielden vast aan hun oude godsdienst die zijzelf omschreven als `het voeden der voorouders'. De zendelingen accepteerden dierenoffers bij een begrafenis alleen als het vlees werd verdeeld onder de levenden – een sociale daad – en niet werd aangeboden aan de geesten, want dat was heidens.

De Toraja bleven geobsedeerd door de band met het hiernamaals maar het Dodenfeest veranderde van karakter. In de jaren tachtig organiseerden Toraja-notabelen, die het hadden gemaakt onder Soeharto's Nieuw Orde, rituele slachtingen van wel honderd karbouwen. De Toraja prof. dr. Cornelius Salombe', een kenner van de adat, klaagde in 1997: ,,Het ritueel is losgezongen van de traditie van wederkerigheid en verwrongen door individualisme en het grote geld.'' Nog dat jaar sloeg de crisis toe. Die beteugelde de geldsmijterij tijdens dodenfeesten maar de zucht naar status bleef.

Steeds meer Toraja zoeken werk `beneden'. Zij hebben geen karbouwen of rijstvelden, maar moeten hun adat-verplichtingen jegens de familie `boven' honoreren op straffe van uitstoting uit de clan of statusverlies. Aan die plichten kunnen zij alleen voldoen in contanten. Sinds de bomaanslag op Bali, in oktober 2002, is de ooit zo florerende toeristenindustrie van Toraja ingestort – de bezettingsgraad van de hotels is gekelderd van 90 naar 10 procent – en het `vliegende geld' uit de diaspora is nu meer dan ooit een levensader voor de dorpen.

De 28 karbouwen worden geslacht in Ke'te' Ke'su'. In dit dorp, vanwege zijn fraai versierde houten tongkonan ('huizen van herkomst') een beschermd monument, staat de voorouderlijke woning van de clan Sarungallo. Op 27 december 2003 stierf mr. Renda Sarungallo, telg van de Toraja-adel. Hij was 81 jaar oud. De meestertitel behaalde hij in 1952 in Leiden en van 1955 tot 1959 was hij lid van de Grondwetgevende Vergadering. Tot zijn dood was hij makelaar in Jakarta. Nene' (opa) Renda geldt in Toraja als een groot man en de verwanten `boven' eisten dan ook een groots Dodenfeest.

Tino' Sarungallo (45) maakt tijdens het rituele slachten foto's. Hij oogt stads in zijn korte broek en T-shirt, maar de oorhanger en de kralingkettinkjes om hals en enkel zijn Toraja. Tino' is de tweede zoon uit het huwelijk van mr. Renda en de Nederlandse Lijntje Langendoen. Hij werd geboren in Jakarta, studeerde Chinees en is filmproducent. Hij spreekt vloeiend Engels, maar de Toraja-taal beheerst hij niet.

Tino': ,,Het was de eerste keer dat ik verantwoordelijk was voor een begrafenis en ik vond het zwaar. Er zijn veel mensen bij betrokken en het gaat om heel veel geld. Wij, kinderen, kwamen nauwelijks aan rouwen toe over het verlies van onze vader, want we werden meteen geconfronteerd met zijn positie als leider van een gemeenschap. Er kwamen al snel talloze Toraja condoleren en daarmee begon het ritueel, dat twee maanden zou duren. Na drie dagen brachten we het lichaam over naar het familiehuis in Ke'te' Ke'su'. We moesten meteen terug naar Jakarta om geld bijeen te brengen voor de begrafenis. Gelukkig kreeg ik kort daarna twee opdrachten, zodat ik wat contanten had.''

De vijf kinderen Sarungallo kwamen al snel tot de conclusie dat zij weinig invloed hadden op de gang van zaken. Tino': ,,Het was wij tegen alle anderen: de adat-oudsten, het dorp, neven en nichten ginds. Zij allen eisten een groots ceremonieel; vaders status vereiste dat. Ik heb gemengde gevoelens over hoe het is gegaan. Aan de ene kant ben ik kwaad dat ik gedwongen ben zoveel geld uit te geven. Aan de andere kant besef ik dat de mensen hier twee maanden hebben gewerkt om de ceremonie mogelijk te maken. Zij deden dat uit respect voor vader en het was onze plicht hen te voeden.''

Op de vraag of al dat geld, dat is uitgetrokken voor karbouwen, eten en de bouw van tijdelijke gastenverblijven, niet beter gebruikt had kunnen worden, met blijvende resultaten voor het dorp, antwoordt Tino': ,,Toraja zijn liever arm met een gerust geweten, dan rijk met een schuldgevoel tegenover hun voorouders. Wat er overblijft van al dat geld? Een gevoel van opluchting.''