Haat met afkeer erbovenop

Michel Houellebecq heet inmiddels `het geval-Houellebecq', en weet literair Frankrijk te verdelen als geen ander. De ene helft ziet hem als een profeet, de andere helft vindt hem een reactionaire onruststoker. Waarom is de auteur van Elementaire deeltjes en Platform zo controversieel? Omdat na beide romans een rechtszaak volgde? Omdat hij links en rechts reactionaire uitspraken doet? Omdat hij zich in het openbaar te buiten gaat aan drank, drugs en hoeren? Omdat zijn boeken geen grote literaire prijzen krijgen, maar desondanks wereldwijde bestsellers zijn?

Dat speelt allemaal mee, maar de belangrijkste reden is dat Houellebecq de interessantste schrijver van Frankrijk is. Juist deze auteur, die naar eigen zeggen `geen stijl' heeft en die romans schrijft over nudistencampings, sekstoerisme en terroristische aanslagen, wordt in de hele wereld binnengehaald als de redding van de Franse literatuur. Hij zou wel eens een `geval' geworden kunnen zijn omdat Frankrijk zich daar geen raad mee weet.

Om een antwoord te vinden op dit soort vragen, is er inmiddels een ware `Houellebecqologie' op gang aan het komen. De eerste studies óver Houellebecq proberen het ongerijmde fenomeen dat hij is te verklaren. Met name de vraag naar zijn stijl blijkt de Fransen hoog te zitten. Voor hen is het moeilijk te begrijpen dat iemand die zo weinig bloemrijk, zo weinig mooi schrijft toch goede boeken maakt. De schrijver zelf geeft daar keer op keer dezelfde verklaring voor, een citaat van Schopenhauer: `De eerste, in zijn eentje vrijwel toereikende regel van een goede stijl is dat je iets te zeggen hebt'.

Maar dat is nu precies waar de schoen wringt. Dat Houellebecq iets te zeggen heeft is zeker, maar niet iedereen is even gelukkig met wát hij te zeggen heeft. Zijn personages zijn nihilistisch, kwaadaardig en xenofoob. Ze houden er onbehaaglijke meningen op na over vrouwen, moslims, homoseksuelen, linkse intellectuelen en over de wereld in het algemeen. De opvattingen zijn zo controversieel, dat de lezer zich onvermijdelijk twee dingen gaat afvragen: hoe serieus de boodschap van deze romans moet worden genomen, en of de auteur de stuitende ideeën van zijn personages deelt.

Houellebecq lijkt er een satanisch genoegen in te hebben om iedereen op het verkeerde been te zetten. Enerzijds hanteert hij de afstand die fictie nu eenmaal schept, anderzijds noemt hij enkele van zijn personages wèl `Michel'. Net als de schrijver zelf zijn het enthousiaste bezoekers van parenclubs en Thaise bordelen, net als hij hebben ze weinig op met de islam, met de principes van mei '68, met feministen of homoseksuelen.

Wat de zaak nog extra verwart, zijn de uitspraken die Houellebecq doet in interviews, waarin hij in zijn eigen naam al even politiek incorrect is. Naar aanleiding van zijn laatste roman, Platform uit 2001, liet hij zich bijvoorbeeld door Lire ontfutselen dat hijzelf de islam ook `la religion la plus con' vindt – de meest stompzinnige religie. Die uitspraak, in dronkenschap gedaan, kwam hem op een rechtszaak te staan, die hij overigens won met zijn (terechte) verdediging dat een uitspraak over een religie niets met racisme te maken heeft.

Toch heeft Houellebecqs vriend en redacteur, Dominique Noguez, gelijk wanneer hij in Houellebecq, en fait noteert dat `Michel' met de media speelt als met vuur, en zich dus onvermijdelijk van tijd tot tijd de vingers brandt. Zelfs de trouwe Noguez heeft bijna geen zin meer om zich met de affaire te bemoeien.

Moslims

De taak voor Houellebecqs verdedigers is dan ook niet eenvoudig. Ze kunnen kiezen uit een aantal posities: je kunt volhouden dat het hier om fictie gaat en dat de schrijver niet op de ideeën van zijn personages beoordeeld mag worden – wat door Houellebecqs uitspraken in de pers bemoeilijkt wordt. Of je stelt dat het hier gaat om `ideeënromans' en verdedigt de ideeën zelf. Of je verdedigt de ideeën niet, maar beroept je op de vrijheid van meningsuiting. Of je blijft binnen de wereld van het boek en dan kan je, in het geval van Platform, wijzen op de context van het verhaal, waardoor de haat jegens moslims begrijpelijk wordt.

Noguez doet in Houellebecq, en fait, een beetje van alles, en zo manoeuvreert hij handig tussen de klippen door. Behalve dagboekfragmenten, die een beeld geven van de persoon Houellebecq en van hun vriendschap, nam hij bijvoorbeeld ook een uitvoerige analyse op van diens stijl. Dat geeft hem ook de kans om ideologische vragen over de romans te omzeilen. Want je kan een zin als `Vanaf dat moment begon ik negers te haten' kwalificeren als een `sterk negatieve, emotieve uitspraak', maar dat zegt niets over de narratieve en maatschappelijke inhoud van zo'n zin. Noguez' conclusie is dat de meningen in Houellebecqs romans worden gepresenteerd in een `discours de vérité', als objectieve waarheden. Het werk is volgens hem te lezen als één groot `in feite', een constatering die Houellebecq zó waar vond dat het hem haast verlamde. Volgens de schrijver betekent het `in feite' dat hij zo vaak gebruikt, dat in de kern van alles wat hij schrijft `een grote ophelderingspoging' besloten zit.

Zijn romans zijn te veel verankerd in de maatschappij om ze zuiver op esthetische principes te beoordelen, maar tegelijk zijn de ideeën die erin verkondigd worden, soms zo abject dat ze moeilijk voor lief te nemen zijn. De spagaat die dat oplevert voor de Houellebecqologen, blijkt het beste uit Houellebecq. Sperme et sang van Murielle Clément. Uit haar degelijke close-reading van het oeuvre blijkt hoe ambigu de daarin verkondigde opvattingen zijn. Vrouwen zijn voor hem de enig werkelijk goede wezens en misschien de redding van de mensheid (`De toekomst zal vrouwelijk zijn', zegt Houellebecq ergens), maar tegelijk beschrijft hij geen enkele vrouw werkelijk positief. Ze zijn toch vooral conasses (trutten) en zelfs vachasses (een neologisme dat zoiets betekent als `kutkoeien'), die bovendien gruwelijk aan hun einde komen. Hoewel ze dergelijke ambiguïteiten aanwijst, komt Clément wonderlijk genoeg tot de a-literaire conclusie dat lezers dit oeuvre vol `haat, mysogynie, xenophobie en racisme' wel eens letterlijk zouden kunnen nemen, en dat het daarom `te gevaarlijk' is.

Stiltes

Wat zegt de schrijver zelf er intussen van? Houellebecq is een beruchte stamelaar en stotteraar, die zijn interviewers tot wanhoop brengt met eindeloze stiltes. Dat uit zijn moeizame uitspraken toch zo nu en dan een coherent geheel samen te stellen is, blijkt uit de diepgravende interviews die Martin de Haan, Houellebecqs Nederlandse vertaler, verzamelde in De koude revolutie. Omdat De Haan in die bundel ook essays en min of meer programmatische teksten van de schrijver zelf opnam, vormt het een goede handleiding om `het geval Houellebecq' te begrijpen.

`Een rotvak', noemt Houellebecq het schrijverschap, omdat de romancier enerzijds verplicht is `een nieuw licht' op de wereld te werpen, en anderszijds vastzit aan de elementen die hem omringen: `seks, geld, godsdienst, techniek, ideologie, verdeling van de rijkdommen... een goede schrijver mag niets veronachtzamen'. Dit zegt hij in een bewonderend essay over de sciencefiction-auteur Lovecraft, met wie hijzelf veel gemeen blijkt te hebben. Lovecrafts `onverzoenlijke haat tegen de wereld in het algemeen, met daarbovenop een bijzondere afkeer van de moderne wereld' zou evengoed een samenvatting kunnen zijn van zijn eigen levensvisie. Met het verschil dat Lovecraft nooit schreef over seks en geld, terwijl Houellebecq daar alleen maar over schrijft: het zijn de twee pijlers waar de westerse samenleving volgens hem op gebouwd is. Een schrijver die `midden in de wereld' staat, zoals de ondertitels van zijn laatste romans luiden, is aan zichzelf verplicht daarover te schrijven.

Maar naast die opdracht tot realisme – en zelfs sociologie – is Houellebecq ook een romanticus: een combinatie die hijzelf ook bij Balzac ziet. Hoe romantisch zijn literatuuropvatting eigenlijk is, blijkt uit zijn prachtige essay `Leven, lijden, schrijven – methode' (dat vorig jaar al apart bij uitgeverij Voetnoot verscheen). Er moet niet worden gewerkt of gesleuteld, maar geleefd en vooral geleden, bepleit Houellebecq daarin. De schrijver in `dagelijkse aanraking met het ondraaglijke', moet `bestaan tot hij erbij neervalt'. Literatuur, of liever gezegd poëzie, want daar gaat het hier over, komt voort uit het lijden. En de rijkste bron van lijdenservaringen is die van het contrast tussen ideaal en werkelijkheid.

Houellebecqs oeuvre `à cheval' tussen ideaal en werkelijkheid: dat verklaart niet alleen de ambiguïteit die zijn boeken én zijn opvattingen zo interessant maakt, maar het verklaart ook waarom hij `een geval' geworden is. Omdat men niet alleen bang is voor het bedenkelijke ideaalbeeld dat hij schetst (een gekloonde mensheid, bijvoorbeeld, of het Oosten als seksparadijs voor het Westen), maar ook voor het al te confronterende beeld van de werkelijkheid. Houellebecq ondervindt zo de gevolgen van zijn eigen poëticale opdracht: `Elke samenleving heeft haar zwakke punten. Leg uw vinger op de wond en druk goed hard'.

Michel Houellebecq: De koude revolutie. Confrontaties en bespiegelingen. Samengesteld en vertaald door Martin de Haan. De Arbeiderspers, 362 blz. €22,50

Dominique Noguez: Houellebecq, en fait. Fayard, 266 blz. €25,–

Murielle Clément: Houellebecq. Sperme et sang. L'Harmattan, 248 blz. €21,–

Olivier Bardolle: La littérature à vif. Le cas Houellebecq. L'Esprit des Pèninsules, 96 blz. €12,–