Geluiden zijn mijn hele leven

De blinde Franse componist Jean-Philippe Rykiel werkte samen met Youssou N'Dour en Salif Keita. Afrikaanse invloeden kleuren zijn muziek, waarvoor hij dagelijkse geluiden tot muzikale verhalen kneedt. ,,Mijn cassetterecorder is mijn camera.''

Parijs, februari 2004. Een gewone doordeweekse dag. De stad lijkt overrompeld door een surrealistische temperatuur. Negentien graden. Een strakblauwe hemel. Zijdeachtig licht. De terrassen zitten vol, maar toch klinken de geluiden op straat gedempt, alsof iedereen fluistert, alsof de auto's op de boulevard Saint Germain des Prés in slow motion voorbij rijden. Even verderop, in de smalle rue de Saint Pères, is de kelder waar componist, pianist en synthesizervirtuoos Jean-Philippe Rykiel al meer dan twintig jaar woont en werkt. Een rustige binnenplaats. De treden van de trap naar beneden zijn uitgesleten. De bel. Woest geblaf van een waakhond. De zware voordeur gaat kreunend open. ,,Allo?'' Jean-Philippe Rykiel gaat me voor in een ruimte die nog het meeste doet denken aan de onderaardse gewelven van een kerk, brede stenen bogen scheiden de verschillende vertrekken van elkaar. Behalve een oude leren bank en een salontafel staan er geen meubels in de woonkamer, alleen synthesizers, keyboards, boxen, mengpanelen, honderden, duizenden cd's, een piano. Hier is het altijd avond, of nacht. Een lampje aan het plafond verspreidt een flauw geel licht. En de lucht ruikt naar geschiedenis, naar aarde en steen, tijdloos.

,,Ik ga verhuizen'', zegt Jean-Philippe Rykiel bijna verontschuldigend. ,,Ik ben dan wel blind, maar ik mis het daglicht steeds meer, het gevoel van licht. Te veel donker werkt op mijn gemoed.''

Toch lijkt deze kelder, waar de geluiden van de stad ver weg zijn, de ideale locatie voor een muzikant als Rykiel die uren, dagen, soms weken achtereen in afzondering werkt aan zijn composities, die geluiden tovert uit zijn synthesizers, ze vervormt, uitrekt, indikt, laat echoën en van noten en akkoorden voorziet, van melodiën, en die weer vermengt met eerder opgenomen geluiden van de straat, de zee, vogels, spelende kinderen. Hij boetseert net zolang totdat zijn composities echte `songs' worden, sfeervolle verhalen zonder woorden. Films zonder beelden, zoals hij zelf zegt. Hier verzint hij zijn eigen akoestische universum. Zelfs het geblaf van zijn `waakhond' komt uit een machine, het is een sample die hij eerder gebruikte voor een telefonisch antwoordapparaat.

Jean-Philippe Rykiel (1961), zoon van de modeontwerpster Sonia Rykiel, is in Frankrijk en Afrika vooral bekend door zijn samenwerking met Youssou N'Dour en Salif Keita. Hij componeerde en co-produceerde N'Dours hitalbums Eyes Open (1992) en Wommat/The Guide (1994) en nog altijd belt N'Dour hem regelmatig op voor een concert in Senegal of elders op de wereld. Maar hij werkte ook met Leonard Cohen, Vangelis en trompettist Jon Hassell. Hij maakte muziek voor Franse dance-artiesten en op verzoek van Peter Gabriel nam hij het meditatieve album Vajra Chants op, samen met de boeddhistische monnik Lama Gyourme. En nu heeft Rykiel een solo-album gemaakt. Under the Tree, genoemd naar het vederlichte maar melancholieke titelliedje dat hij ook echt onder een boom in een tuin in Zuid-Frankrijk opnam en dat gek genoeg niet op de hoes vermeld staat. ,,Een grapje'', zegt hij. ,,Een verborgen track aan het einde van het album. Alleen wie geduld heeft en na het laatste liedje niet meteen op `stop' drukt, zal het horen.''

Afrika

Maar Under the Tree verwijst ook naar Afrika, vertelt Rykiel, en naar de Afrikaanse invloeden op het album. Sinds zijn vriend, de drummer Fadou Adjiman, hem in 1982 voor het eerst meenam naar zijn familie in Ghana, keert Rykiel steeds terug naar het continent. Hij is er thuis. ,,In ieder Afrikaans dorp staat zo'n boom waar de mensen rondhangen en elkaar verhalen vertellen. Ik heb die boom nooit kunnen zien, maar het gegeven past goed bij mijn liedjes.'' Een paar nummers nam Rykiel op in een studio's in Abidjan in Ivoorkust en Dakar in Senegal, samen met Afrikaanse musici. Toch is het te simpel om de muziek op Under the Tree te omschrijven als `wereldmuziek'. Invloeden van pop, jazz en klassieke muziek zijn net zo goed hoorbaar. In `Conversations', een van de composities, is goed te beluisteren wat Rykiel bedoelt met zijn `films zonder beelden'. Het nummer begint met het geluid van golven die loom aanspoelen op een strand. Gepraat en geroep van mannenstemmen. Dan valt de muziek in. Het harpachtige geluid van een kora; een fluit die onmiskenbaar uit een van Rykiels synthesizers komt. De instrumenten lijken in gesprek totdat het zingen van de fluit verstomt en de kora verder gaat, onder begeleiding van mistige orkestrale geluiden van Rykiel. `Conversations' kwam voort uit een jam tussen de Afrikaanse muzikant Yakubah Sissokoh en Rykiel. De geluiden van de zee en de stemmen, opgenomen in een dorp in Senegal, voegde hij later toe.

Voor wie ziet is het moeilijk voor te stellen hoe het is om geen beelden te kunnen vormen, maar in `Conversations' maakt Rykiel de luisteraar deelgenoot van zijn akoestische wereld. Moeiteloos voert hij je naar een rommelig strand met gammele houten boten en vissers die onder de blakende zon over hun zaken spreken. Je proeft de stoffige warmte van de lucht. Hoort de aanwezigheid van straatverkopers even verderop, een kleine bar, een kade met slenterende mensen. Het is laat in de middag. Wat volgt is een meeslepend muzikaal verhaal dat de luisteraar zelf kan invullen, maar de toon en de sfeer zijn onontkoombaar.

,,Voor mij bestaat er geen strakke scheiding tussen gewone dagelijkse geluiden en muziek'', zegt Jean-Philippe Rykiel. ,,Geluiden zijn mijn hele leven. Mijn cassetterecorder is mijn camera. Die gaat altijd mee, waar ik ook ben. Natuurlijk kan ik niet opnemen wat ik ruik of voel wanneer ik iets aanraak, maar geluiden wel en die zijn voor mij direct verbonden met mijn muziek, die wil ik laten horen.''

Ooit speelde Rykiel alleen piano. Hij leerde het zichzelf op de vleugel die zijn grootvader voor zijn oudere zus had aangeschaft. Zij had geen geduld om te oefenen. Jean-Philippe wel, maar pas toen hij de platen van jazzpianist Thelonious Monk hoorde die zijn vader voor hem draaide. ,,Mijn vader was een geweldige, gedreven man, maar zeer angstig waar het mijn blindheid betrof. Hij was als de dood dat ik me later niet zou kunnen redden en daardoor was hij onredelijk streng en gewelddadig als ik in zijn ogen soms niet hard genoeg werkte. Hij bouwde een landkaart van Frankrijk voor me, in reliëf, compleet met heuvels en bergen en bossen en rivieren die ik met mijn vingers kon voelen. En hij liet me muziek horen: Stockhausen, Terry Reilly, Steve Reich, Indiase muziek. En Monk.''

Monk. Jean-Philippe Rykiels stem zakt een octaaf. Zijn gezicht ontspant. Met affectie praat hij over zijn grote voorbeeld. ,,Monk praat tegen kinderen. Zijn muziek klinkt eenvoudig. Pas later besef je dat dat helemaal het geval niet is. Toen ik als kind naar Art Tatum of Oscar Peterson luisterde was ik zo onder de indruk, dat ik dacht: dat zal ik nooit kunnen. Ik hoorde Monk spelen op mijn zevende of achtste en ik wist: dat wil ik ook als ik groot ben.''

Verraad

Jazz was niet een muziekstijl die gewaardeerd werd op het burgerlijke Parijse blindeninstituut waar Rykiel op school ging. ,,Jazz was verboden. We kregen speciale muzieklessen, omdat ze er vanuit gingen dat blinden extra gevoelig zijn voor muziek. Dat was goed, maar er werd alleen klassieke muziek onderwezen. Op een middag zat ik in mijn eentje te oefenen. Ik speelde de blues. Een meisje hoorde het en verraadde me. Ik kreeg straf en stopte met de muzieklessen op school.''

In `Kovan', een van de stukken op Under the Tree, zijn de invloeden van jazz op Rykiels werk duidelijk te horen. Hij speelt piano, op een spannende, suggestieve manier. Losse flarden die ondersteund worden door een dwingende ritmesectie afkomstig uit een van de synthesizers. De Syrische muzikant Nasser Ibrahim speelt tamboerijn. Het klinkt swingend, maar gaandeweg wordt het liedje oriëntaals van sfeer, vooral dankzij het slepende luitachtige geluid dat aan Noord-Afrika of het Midden-Oosten doet denken.

Rykiel: ,,Toen ik als kind naar jazz luisterde, kon ik nog niet weten dat ik me later zo aangetrokken zou voelen tot Afrikaanse muziek. Wat me beviel in jazz was het perfecte evenwicht tussen ritme en harmonie en melodie. Het is duidelijk dat klassieke muziek niet swingt. Ritmisch is veel klassieke muziek tamelijk saai. Bach, Mozart en Beethoven vind ik ritmisch oninteressant, waarmee ik niet zeg dat ik die muziek niet prachtig vind. In jazz vond ik beide: het had dezelfde melodische en harmonische schoonheid als klassieke muziek en tegelijkertijd waren de ritmes fantastisch.''

Het was ook de stijl van spelen en componeren van jazzmuzikanten die Rykiel aansprak. ,,Ik componeer uitsluitend op mijn gehoor. Ik schrijf nooit muziek uit op papier, al heb ik dat wel geleerd. Ik speel en dat neem ik meteen op en vandaaruit werk ik verder. Erg intuïtief en associatief. Vroeger dacht ik nog wel dat mijn muziek iets zou moeten betekenen, een boodschap zou moeten hebben. Zat ik te pielen: wat zou dit akkoord kunnen zeggen, en deze melodie, deze noot? Het werkte niet. Het was te ingewikkeld. Wat ik in woorden kon zeggen, kon ik niet uitdrukken in muziek en andersom. En trouwens, wat heeft iemand eraan als ik zeg dat oorlog slecht is en geld alles verpest? Nu maak ik alleen nog maar muziek.''

Hij staat op en loopt naar zijn machines, zoals hij zijn synthesizers liefkozend noemt. Het irriteert hem dat de synthesizer nog dikwijls gezien wordt als een `koud' instrument. Hij ramt een simpel deuntje op de piano. ,,Klinkt dit soms gevoelig? Het is de muzikant die zijn gevoel doorgeeft aan het instrument. Het instrument zelf heeft geen gevoel.''

Hij gaat achter zijn keyboard zitten en speelt een paar tonen. Ze klinken ingeblikt, goedkoop. ,,Maar ik gebruik het ook niet als piano.'' Hij draait aan een paar knoppen. Met zijn voet bedient hij een pedaal. Het is of hij de tonen uitrekt en tegelijkertijd verdikt waardoor ze onherkenbaar en slepend door de stenen ruimte zingen. ,,Dit bewaar ik even'', mompelt hij in zichzelf. Hij gaat naar een andere machine. ,,Met deze kun je uit het niets muziek maken.'' Ik hoor een ijzige kale toon die Rykiel binnen een paar minuten omtovert tot een vreemde melodische klank. Hij zet er een eerder opgeslagen bas- en drumloop onder, de vervormde pianotonen, en begint dan opnieuw te spelen. Dit keer hoor ik een echte piano, een prachtige donkere melodie die ingebed ligt in een zinderende ritmische mist van geluid. Alsof ik een compleet nieuwe smaak op mijn tong proef.

Rykiel: ,,Dit zou ik nooit voor elkaar krijgen met een gewone band. Daarom hou ik zo van synthesizers: ze laten me nieuwe sonische gebieden ontdekken.''

Is er een verband tussen zijn liefde voor synthesizers en zijn blindheid? Misschien het feit dat er uit synthesizers akoestisch zoveel meer te halen valt?

Jean Philippe Rykiel zucht. Aarzelt. ,,Ik weet het niet. Herbie Hancock speelt ook synthesizer, en Chick Corea. En die kunnen zien.'' Ineens veert hij op. ,,Als ik viool zou spelen, zou je die vraag dan ook gesteld hebben?''

,,Misschien'', zeg ik.

,,Mijn blindheid helpt me bij het maken van mijn muziek. Mijn gehoor is heel gevoelig en zuiver. Maar dat is alles. Ik zou hoe dan ook muzikant zijn geworden en van synthesizers hebben gehouden. Ik weet nog dat ik als tiener een cassetterecorder had. Ik ontdekte dat wanneer ik de `play'-knop half indrukte, de geluiden heel gek en traag of juist dubbel zo snel klonken. Ik deed de microfoon in mijn mond en zo maakte ik wow-wow-geluiden.''

Kraken en piepen

En hij hoorde het werk van de moderne Franse componist Pierre Henry, die als een van de eersten de mogelijkheden van de synthesizer ontdekte en gebruikte; die het kraken en piepen van deuren en stoelen opnam en tot `muziek' verklaarde. ,,Dat vond ik zo grappig. Dat hij dat durfde!''

Toen hij vervolgens bij een vriend thuis een kleine synthesizer ontwaarde en ermee experimenteerde, wist hij het zeker. Eenmaal thuis smeekte hij zijn vader om ook zo'n machine voor hem te kopen. Zo begon het.

Jean-Philippe Rykiel: ,,De toekomst maakt me soms onzeker. Het kan goed dat over tien, twintig jaar alle synthesizers verdwenen zijn en de technologieën alleen nog maar opgeslagen liggen in computers waarmee je steeds meer en wonderlijker geluiden kan produceren. Ik weet niet of ik ermee zal kunnen werken. Ik heb wel een computer en een programma dat de computer laat spreken; e-mails versturen is geen probleem voor me. Maar de programma's voor virtuele synthesizers zijn erg visueel en grafisch. Of een blinde daarmee ooit...''

Hij stopt. Schiet in de lach. ,,Misschien is het ook alleen maar een egoprobleem: ik wil altijd alles zelf beheersen. De techniek is nooit het werkelijke probleem. Ik kan tenslotte altijd samenwerken met iemand die wel ziet. Het gaat om de muziek.''

Jean-Philippe Rykiel, `Under the Tree', Wagram, 2003.