De kracht van cultuur

UNESCO, de culturele organisatie van de Verenigde Naties, is wereldwijd toonaangevend op het gebied van cultuurbehoud. Naast de materiële cultuur is er nu ook aandacht voor de bescherming van levende cultuur.

Gerrit Rietveld richtte in 1958 de perskamer in van het spiksplinternieuwe UNESCO-hoofdgebouw in Parijs: gekleurde vlakken van marmoleum op de vloer en werktafels, een bespanning van grijze zeildoekachtige stof op de muren en fauteuils, boekenkasten met schuifdeuren en een bureau met oplichtende wereldkaart. Twintig jaar later hadden ze het bij UNESCO wel gehad met deze Spartaanse en intussen morsige inrichting en werd de boel bij het grof vuil gezet. Op het nippertje werd een deel ervan gered, naar Nederland gehaald en opgeslagen. In 2000 werd een ander ontwerp van dezelfde Rietveld, het Rietveld Schröderhuis, door het Werelderfgoedcomité van UNESCO tot werelderfgoed verklaard. Kortom, in veertig jaar tijd werd werk van Rietveld bij UNESCO binnengehaald, buitengezet, en van een mondiaal keurmerk voorzien.

Binnenhalen en buitenzetten zijn ook prima kwalificaties om de Nederlandse relatie met UNESCO te omschrijven. Alleen van een serieus eerherstel, zoals bij Rietveld, is het nooit gekomen. ,,Sinds de jaren tachtig zijn periodes van innige samenwerking afgewisseld met UNESCO-bashing'', zegt voormalig algemeen secretaris Andries van Helden van de Nationale Unesco Commissie. In de dagelijkse praktijk is de diagnose van zo'n heftige knipperbolrelatie al gauw gesteld: bindingsangst. Op het niveau van wereldpolitiek ligt een eensluidende verklaring iets lastiger.

De United Nations Educational, Scientific and Cultural Organisation is als `wereldmentaliteitsorganisatie' opgericht in 1945. De UNESCO moest de geestelijke honger in de wereld bestrijden met objectieve wetenschap, onderwijs voor iedereen en het stimuleren van culturele tolerantie. `Omdat oorlog in de geest ontstaat, moeten we in de geest voor vrede strijden', is de lijfspreuk van UNESCO.

Sindsdien is deze vredesduif heel wat keren uit de lucht geschoten. De grootste crisis vond begin jaren tachtig plaats toen de Nederlandse oud-UNESCO-ambassadeur Maarten Mourik de leiding nam bij de westerse aanvallen op de door de ontwikkelingslanden gedomineerde UNESCO. Mourik begon een kruistocht tegen de Senegalese directeur-generaal M'Bow die in de `politieke slangenkuil' zou operen als een `Afrikaans stamhoofd'. De Nederlandse kritiek werd gevoed door Amerika, dat toen helemaal niets op had met deze culturele poot van de VN. UNESCO deugde niet – de activiteiten niet, het management niet, de mentaliteit niet. De organisatie was `te pro-Derde Wereld' en bovenal `te corrupt'. In 1984 stapte Amerika op. Engeland volgde. Nederland – dat samen met het Verenigd Koninkrijk maar wat graag aan de hand van zijn transatlantische bondgenoot liep – bleef, opmerkelijk genoeg, trouw maar humeurig zijn vijf miljoen euro contributie betalen.

UNESCO valt onder de verantwoordelijkheid van de minister voor OCW. Toch werd in de jaren negentig het jojoën veroorzaakt door de ministers van Ontwikkelingssamenwerking. Onder Jan Pronk leverde Nederland een morele en financiële bijdrage aan de totstandkoming van het rapport De kracht van cultuur (1996) van de commissie-Pérez de Cuéllar – een pleidooi voor cultuur als motor voor ontwikkeling en sociale cohesie. Zijn opvolgster Eveline Herfkens zag er niets in, net zo min als in UNESCO. Ze bracht in 1999, kort na haar aantreden, een Kamernotitie uit over de VN als kanaal voor ontwikkelingssamenwerking. Daarin liet ze weinig heel van UNESCO.

`Unesco is een armlastige organisatie die ``Zero prestatie'' levert', kopte de Volkskrant in datzelfde jaar. In de Groene Amsterdammer werd recentelijk nog gesproken over `gecorrumpeerde cultuurhoeders' en `de stank van corruptie die al tientallen jaren rond Unesco hangt'. ,,Oud nieuws dat van geen wijken weet'', meent Van Helden. Maar er zal toch wel iets van waar zijn? ,,Ja'', zegt de onpartijdige derde, de secretaris-generaal Manus Brinkman van The International Councils of Museums (ICOM) in Parijs, die op cultuurgebied nauw met UNESCO samenwerkt. ,,Toch was het eerder een kwestie van vriendjespolitiek dan van corruptie. Zeker na de laatste hervormingen in 1999, onder de huidige directeur-generaal, de Japanner Koïchiro Matsuura, gaat het prima.'' De Europese Unie heeft UNESCO inderdaad officieel schoon verklaard. Ook president Bush bevestigde dat enkele maanden geleden toen de Verenigde Staten als lidstaat van UNESCO terugkeerde: ,,Deze organisatie heeft hervormingen doorgevoerd en Amerika zal ten volle bijdragen aan haar taak om de mensenrechten, de tolerantie en het onderwijs te bevorderen.''

Navelstaarderij

Tot de Nederlandse politiek willen die veranderingen maar niet doordringen. Volgens de Nationale Unesco Commissie is `navelstaarderij' er de oorzaak van. ,,Desinteresse'', meent Brinkman. ,,Er is geen minister die zich wezenlijk voor UNESCO inzet. Nederlandse delegaties die naar Parijs komen letten meer op de boekhouding dan op de kern van de zaak.'' Vraag na vijfentwintig jaar gesteggel aan de gemiddelde Nederlander naar wat UNESCO inhoudelijk doet en hij kijkt inderdaad glazig voor zich uit. Toch is UNESCO alleen al binnen zijn `C' voor cultuur wereldwijd toonaangevend op het gebied van cultuurbehoud. Als UNESCO bij ons nog enige bekendheid geniet, dan door de grote uitstraling van de Werelderfgoedlijst.

Koraalriffen, bergen, steden en kastelen – van de toren van Pisa tot aan de zandstad Djenné en het natuurgebied Serengeti, en wie weet op termijn de genomineerde binnenstad van Amsterdam – ze staan op de Werelderfgoedlijst. De inmiddels 754 monumenten en natuurgebieden uit 129 landen delen met elkaar dat ze `van uitzonderlijke universele waarde' zijn en in belangrijke mate `authentiek'. De monumenten worden door het land van herkomst ter selectie aangeboden aan het Werelderfgoedcomité van UNESCO, die van de mooiste parels een snoer rijgt en vervolgens waakt over samenhang en conditie. Inmiddels heeft de lijst eenzelfde sex-appeal als de ijdele rangordes van de rijkste mensen, machtigste mannen en mooiste vrouwen. Het is fijn om er op te staan en fijn om er iets of iemand op te kennen. Met dit verschil: de lijst gaat niet zozeer over eigenbelang als over mondiale samenwerking.

Feitelijk is de lijst niet meer dan een `aanhangsel' van een wereldomvattende overeenkomst: de Werelderfgoedconventie uit 1972, waarin bepaald is dat ondertekenaars zich verplichten tot het onderhouden en toegankelijk maken van de eigen natuur- en cultuurmonumenten en zich zullen inzetten voor internationale samenwerking op financieel, wetenschappelijk en technisch gebied. De 177 landen die de conventie hebben geratificeerd accepteren dat UNESCO over de schouder meekijkt naar de kwaliteit van hun natuur- en cultuurbeheer. Heeft een lidstaat geen geld of expertise, dan kan die door UNESCO worden geholpen. Wie echter zijn behoudstaak verzaakt, wordt tot de orde geroepen met de kans dat het bedreigde monument op de sublijst Erfgoed in Gevaar belandt, en dat betekent gezichtsverlies en tegenvallende bezoekersaantallen.

En reken maar dat deze politieke druk werkt. Egypte zag af van een autosnelweg langs de piramide van Cheops, Auschwitz van een disco en oliemaatschappij Shell heeft UNESCO onlangs publiekelijk beloofd af te zien van boringen in natuurgebieden met UNESCO-predikaat.

We leggen mondiaal ons erfgoed graag in de watten, omwille van een stokoud `erfgoedsentiment' – de diepgewortelde behoefte om ons te willen omringen met betoverende, zeldzame, kostbare en oude dingen omdat ze troost bieden, inspiratie, herinnering, plezier en houvast; dat vinden we niet, dat voelen we zo. Als door de aardbeving in Iran de eeuwenoude citadel van Bam tot stof wordt geschud, begrijpen we zonder uitleg het immense belang van zijn wederopbouw. Tevens bevestigt de conventie een jonge emotie die, ontstaan in de jaren zestig, steeds sterker wordt: het gevoel dat onze `persoonlijke eigendommen' her en der verspreid over de wereld liggen. Storten de Twin Towers in dan ontbreekt er ook iets aan onze skyline. Blazen Talibanstrijders in Afghanistan boeddhabeelden op, dan huiveren we alsof die woede op onszelf is gericht. Wil een Japanner zijn duurbetaalde Van Gogh zijn graf mee innemen, dan besteelt hij ons. Erfgoed is van en voor ons allen geworden.

Dus trekken we er massaal op uit om een kijkje te nemen bij onze Taj Mahal en ons Venetië. Inspirerend. Zinvol. Zeker. Maar er is een keerzijde, want voor veel monumenten op de Werelderfgoedlijst is die aandacht niet meer te doen. Erfgoed bezwijkt fysiek onder kwalijk dampende mensenmassa's. Toerisme brengt niet de conventie in gevaar – die staat als een huis – maar wel de erfgoedlijst: ,,Het voortbestaan van de lijst staat op het spel, want zo gaat het niet langer'', zegt Brinkman. ,,Het is een doos van Pandora. Zo zijn mondiale iconen verworden tot idolen, toeristen tot paparazzi, kunstminnenden tot cultuurvandalen. En wat van de bezienswaardigheid te zien is steekt bleek af tegen het visuele geweld van de crowd-handling.

Dus wordt het tijd `toerismepolitiek' te formuleren, zegt Brinkman. Het tolereren van replica's en het stimuleren van toeristenspreiding zijn belangrijke onderwerpen voor de eenentwintig lidstaten van het prestigieuze Werelderfgoedcomité. Eén daarvan is Nederland, dat afgelopen herfst voor vier jaar is toegetreden in de persoon van oud-staatssecretaris van OCW Rick van der Ploeg. ,,Hij moet er geen erebaantje van willen maken'', adviseert Brinkman. ,,Het zou mooi zijn als Van der Ploeg de zaak persoonlijk opnam en een visie ontwikkelt op de gespannen verhouding tussen cultuurbehoud en consumptie – beschermen liefst zonder dat het een belemmering wordt, want de wereld is geen porseleinkast.''

Vanaf oktober 2003 heeft de oude Werelderfgoedconventie een kersverse wederhelft: de Conventie voor immaterieel erfgoed. Deze nieuwe conventie, die internationale samenwerking op het gebied van `levende cultuur' voorstaat, zet het denken over cultuurbehoud aardig op zijn kop. Zeker is dat de vertrouwde betekenis van de term erfgoed voorgoed is achterhaald: muziek, taal, dans, rituelen, de kennis van Zuid-Amerikaanse medicijnmannen en dromen van de aboriginals – van nu af aan is het erfgoed; niet dood maar levend, niet van lang geleden maar van vandaag, niet tastbaar wel kwetsbaar. ,,Het concept erfgoed is ontwikkeld naar een open systeem'', schrijft UNESCO, ,,dat zowel de levende cultuur in zich draagt als het stenen erfgoed uit het verleden.''

Niet-tastbare cultuur

Doet de `stenen conventie' het goed in het noorden en westen van de wereld, de `levende' zal vooral zijn uitwerking hebben op het zuiden en oosten, meent de Nederlandse taalkundige Rieks Smeets. Hij is sinds kort hoofd immaterieel erfgoed bij UNESCO in Parijs. Voor veel gemeenschappen in Azië en Afrika is de traditionele immateriële cultuur de kern van hun samenleving. Het was dan ook Afrika dat de niet-tastbare cultuur aan de orde stelde: ,,Als er in een Afrikaans dorp een oude man sterft, brandt er een bibliotheek af'', sprak de Malinese wijze Amadou Hampaté Ba. Al jaren geleden was hij binnen UNESCO voorvechter van een erfgoedvariant waarin de weerloze overlevering recht had op bescherming.

,,Voor onze Noord-Atlantische culturen is dat wennen'', zegt Smeets. Inderdaad. Toen in 2001, als voorbode van deze conventie, de proeflijst Meesterwerken van oraal en immaterieel erfgoed van de mensheid werd gelanceerd, was de reactie in Nederland smalend. Immaterieel erfgoed, wij? Wat zouden die Hollandse meesterwerken dan wel moeten zijn: kantklossen, de klompendans, het levenslied? Doe niet zo moeilijk. Doe niet zo raar. Er spreekt dédain uit voor ons eigen verleden, als voor gemeenschappen die niet de betekenis in materie zoeken maar erachter – in bezwerende rituelen en spirituele muziek.

Het is ook niet makkelijk. Conserveren van materie is al moeilijk, laat staan het bewaren van niet-materie. Hoe doe je dat in vredesnaam? ,,Azië heeft veel ervaring'', zegt Smeets. ,,Zij moderniseren met behoud van strikte traditionele waarden en wijzen. Het is echter niet de bedoeling dat cultuuruitingen worden vastgeprikt als vlinders in een vitrine. Door bewustmaking en erkenning, het stimuleren van onderzoek of het drukken van schoolboeken, breng je een taalvorm of muzikale traditie zo een generatie verder.'' Het Meertens Instituut in Amsterdam, dat onze Nederlandse taal en gebruiken vastlegt, wordt zenuwachtig van woorden als protectie, promotie en revitalisering die in de conventie voorkomen: actief conserveren leidt tot fossiliseren. Het is een uitstekend initiatief zolang het bij documentatie blijft. ,,Heel neo-darwinistisch'', zegt Smeets, ,,zijn ze daar van mening dat Gods water over Gods akker moet stromen.''

De immateriële erfgoedconventie is, zoals de materiële, een poging Gods akker te beschermen tegen de afvlakkende werking van geweld, globalisering, industrialisatie, verstedelijking en milieuvervuiling. Culturele diversiteit, daar gaat het om. Een rijke verscheidenheid biedt inzicht in het leven. Momenteel wordt bij UNESCO hard gewerkt aan een conventie die die culturele diversiteit als recht moet waarborgen. Het is de wereldgemeenschap blijkbaar menens; cultuur verdient een bodyguard. Materieel en immaterieel erfgoed horen simpelweg bij elkaar, ze zijn de relikwieën en familieverhalen van een gemeenschap, het collectieve geheugen van de wereldbevolking.

Van de aanwezige lidstaten bij de Algemene Conferentie afgelopen november in Parijs hebben 120 landen vóór de immateriële erfgoedconventie gestemd, acht onthielden zich, niemand was tegen. De Nederlandse delegatie stemde schoorvoetend positief, maar of de regering tot ratificatie overgaat is nog onbeslist. De Nederlandse politiek heeft er twintig jaar voor nodig gehad om de Werelderfgoedconventie uit 1972 te ratificeren. Een handtekening zetten onder het verdrag uit 1970, tegen handel in illegale kunstgoederen, is nog steeds niet gelukt. Ratificatie van de nieuwe conventie kan dus nog wel even duren.

,,Staatssecretaris Medy van der Laan, de `C' van OCW, laat zich uitgebreid voorlichten'', zegt Smeets voorzichtig. Beter kan ze kordaat tot ratificatie beslissen. Wie nu toetreedt maakt kans lid te worden van het eerste Comité voor immaterieel erfgoed en heeft invloed op de verdere uitwerking van de conventie. In dat geval zou Nederland vertegenwoordigd zijn in beide Werelderfgoedcomités en krijgt het de kans een visie te ontwikkelen op erfgoed in de ruimste zin van het woord.

Wat er met het Rietveldmeubilair in opslag moet gebeuren? Heel simpel. In de Thalys er mee. Terug naar UNESCO in Parijs en with compliments, want: ,,UNESCO is een forum om mensen met elkaar te laten leren'', zegt Brinkman. ,,Je wordt je er bewust van de culturele gelijkwaardigheid; erfgoed is van ons allen en we moeten er met zijn allen voor zorgdragen. Als je UNESCO vandaag opheft, heb je haar morgen weer nodig.''

Andries van Helden, `Een halve eeuw UNESCO. Idealisten en ideologen, intellectuelen en boekhouders', Nationale Unesco Commissie, Den Haag, 2001.

www.unesco.nl

Nederlandse Unesco-monumenten:

Schokland (1995);

de Stelling van Amsterdam (1996);

Kinderdijk (1997);

het Ir. D.F. Woudagemaal in Lemmer (1998);

de Beemster in Noord-Holland (1999);

het Rietveld Schröderhuis in Utrecht (2000).