De enige die de Russen doorhad

Richard Pipes was lid van de Nationale Veiligheidsraad onder president Ronald Reagan, in 1981 en 1982. Het was een gouden tijd. Pipes, die verantwoordelijk was voor Rusland en Oost-Europa, zag met genoegen hoe de nieuwe Amerikaanse regering vol in de aanval ging. Dit waren de jaren van de Sovjet-Unie als `Evil Empire' – een duivels rijk dat echter de eerste tekenen van ernstig verval toonde. De conservatief Pipes, die niet alleen de ideoloog van de onvoorwaardelijke confrontatie met de Sovjet-Unie was, maar ook een van Amerika's meest productieve en vooraanstaande Ruslandkenners, voelde zich ondanks alles niet bijzonder op zijn gemak in het Witte Huis. Voor de individualistische intellectueel die hij altijd is geweest, was de vergadercultuur, de consensusdrift, het gekonkel, de roddel en achterklap van de hoge politiek een gemengd genoegen. Na twee jaren in overheidsdienst verliet hij Washington opgelucht om terug te keren naar Harvard, waar hij zich alles bij elkaar een kleine veertig jaar aan de geschiedenis van Rusland heeft gewijd. Pipes, een Poolse jood van origine, is altijd een buitenstaander geweest, een non-belonger zoals hij zelf schrijft. En dat blijkt uit de mémoires van Pipes die onder de niet bijster inspirerendende titel Vixi (`Ik heb geleefd') zijn verschenen. Pipes benadrukt nog eens onomwonden zijn eigen gelijk en rekent en passant af met alles en iedereen die ooit zijn pad hebben gekruist: het postmodernisme en cultuurrelativisme van zijn collega's aan Harvard, de sociaal-wetenschappelijke dwaalwegen van de sovjetologie en de valse ontspanningsideologie van het Amerikaanse buitenlandspolitieke establishment.

Pipes is geen bijster sympathieke man. Hij komt nogal verontwaardigd en gelijkhebberig over. Humor is niet zijn sterkste kant. Zelfs zijn grappen lijken onbedoeld. Zo citeert hij een sovjetgeleerde uit de jaren vijftig die serieus beweerde dat het grote Amerika maar twee uitvindingen heeft gedaan: de elektrische stoel en het wafelijzer. Ik kan me niet voorstellen dat die eenzame geleerde niet even heeft gegrinnikt toen hij dit opschreef. De elektrische stoel, okee, dat ligt voor de hand; maar het wafelijzer? Pipes ziet er de humor niet van in. Voor iemand die zich voortdurend beklaagt over de mate waarin zijn wetenschappelijke werk is genegeerd, lijkt Pipes zelf nauwelijks geïnteresseerd in de opvattingen van anderen. Pipes is een Einzelgänger. Voor een jongen die op zestienjarige leeftijd Nietzsche ontdekt, nadat hij al eerder de `overweldigende esthetische ervaring' van Giotto's De Rouw om Christus en Beethovens Zevende Symfonie had ondergaan, is dat misschien niet zo vreemd.

Wetenschap, schrijft Pipes, is een hoogst individuele ervaring. `Ik kan me niet voorstellen ooit met iemand samen een boek of een artikel te schrijven. Ik heb nooit aan enige gezamenlijk wetenschappelijke activiteit deelgenomen en ik heb me nooit gedwongen gevoeld me te conformeren aan enige vorm van consensus.' Hier spreekt een ouderwetse geleerde. Geen wonder derhalve dat Pipes met name mooie herinneringen heeft aan zijn eerste decennia op Havard: van eind jaren veertig tot midden jaren zestig, toen de oorlog in Vietnam een hoogtepunt bereikte. Daarna ging het, zoals bekend, verkeerd. De politieke correctheid sloeg onverbiddelijk toe. Dead White Men (Shakespeare en kornuiten) werden uit het curriculum geschrapt. Etnische voorkeuren werden een fetisjisme. Ik kan me Pipes' frustratie over de vrolijke linkse nieuwlichterij aan Harvard goed voorstellen, maar zijn sfeerbeeld van de eerste naoorlogse decennia stemt ook niet bepaald vrolijk. `Harvard was groter dan de som van haar delen', schrijft Pipes. `De staf bestond voornamelijk uit vermoeide professoren, die allang waren uitgekeken op hun onderzoek en hun studenten. Harvard had iets van een club, vrijwel alle vaste medewerkers waren elkanders leraar of student geweest.'

Van al diegenen die er van langs krijgen in Pipes' memoires, worden zijn `collega's', Amerika's sovjetologen, het hardst aangepakt. Hoewel Pipes mooie boeken heeft geschreven over Rusland, met name zijn drieluik over het tsaristische Rusland (Russia under the Old Regime), de Russische revolutie (The Russian Revolution) en communistisch Rusland (Russia under the Bolshevik Regime), reikte zijn wetenschappelijke invloed niet bijster ver. Zelf zegt Pipes bewust genegeerd te zijn. Zijn felle anticommunisme enerzijds, maar ook zijn overtuiging dat het bolsjewisme voortborduurde op een repressieve Russische traditie leverden hem tal van vijanden op. Ruslands meest vermaarde dissident en emigrant Aleksander Solzjenitsyn meed Pipes vanwege diens vermeende Russofobie. Pipes is slechts een paar maal in de Sovjet-Unie geweest, en iedere keer vervulde het hem weer met afgrijzen: het regime, maar ook, hoewel Pipes er wat omheen draait, het grootste deel van de bevolking. `Ik maak een scherp onderscheid tussen de Russische regering en het Russische volk, en tussen de ontwikkelde Russen en de bevolking als zodanig', schrijft hij. Om daar aan toe te voegen: `Ik heb een immense bewondering en sympathie voor de Russische intellectuelen.' Het zijn juist die krachtige morele overtuigingen die Pipes miste in het werk van zijn collega's. Zij beschouwden de Sovjet-Unie net zo als enig ander land. Ze zagen de immorele dimensie van het communisme over het hoofd. Ze meenden zelfs dat het sovjetsysteem en het westerse democratische bestel geleidelijk naar elkaar toegroeiden. Kortom, stelt Pipes, de meeste sovjetologen onderschatten de verschillen en overschatten de overeenkomsten tussen de democratische en de communistische orde, en dat was de belangrijkste reden waarom ze de ineenstorting van het hele sovjetgebouw niet hebben kunnen voorzien.

Pipes' voorstelling van de Ruslandkunde in Amerika is lichtelijk karikaturaal. Slechts af en toe noemt hij iemand bij naam, meestal spreekt hij in algemene termen over de sovjetologen. Alsof er sprake was van een gesloten front tegen de dwarsligger en beterweter Pipes. Hoe het ook zij, het moet Pipes een gevoel van bijzondere genoegdoening hebben gegeven dat uitgerekend hijzelf, ridder van de Koude Oorlog, en niet zijn liberale vrienden, uiteindelijk de gelegenheid kreeg zijn wetenschappelijke opvattingen in politieke invloed om te zetten.

Heel bijzonder zijn Pipes' herinneringen aan zijn jaren in de Nationale Veiligheidsraad trouwens niet. Hij meldt weinig nieuws. Pipes beschrijft de voortdurende competentiestrijd tussen de Veiligheidsraad en het meer gematigde ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij herinnert zich het gekonkel en de vriendjespolitiek in de bureaucratie van Washington. En hij schetst een beeld van de man waarom alles draaide, Ronald Reagan, dat bekend overkomt.

Reagan was een aimabele maar afstandelijke man. Hij putte uit een enorm reservoir aan anekdotes om iedere serieuze discussie uit de weg te kunnen gaan. Hij geloofde dat Amerika `Gods uitverkoren natie' was, vanzelfsprekend, en dat ze nu, na jaren van defaitisme en wankelmoedigheid, in haar volle macht en glorie zou worden hersteld. Reagans ideeën waren in sommige opzichten simplistisch, schrijft Pipes, maar dat kwam hem in zijn strijd tegen het communisme uitstekend van pas: `de Sovjet-Unie was een wreed systeem, gebaseerd op macht en angst, maar gecamoufleerd met nobele idealen. Deze idealen brachten de fijnzinnige intellectueel in verwarring, maar lieten het volk in de echte, ruige wereld, gelukkig onberoerd.'

Richard Pipes: Vixi. Memoirs of a Non-Belonger. Yale University Press, 264 blz. €32,80