Bouw een hut!

Net als in de jaren zeventig is het bouwen van zelfontworpen hutten weer in. De bouwers voelen zich niet thuis in de eenvormigheid van de huidige tijd en koesteren de individualisering.

Een lapje grond langs de spoorbaan, een kavel aan een doodlopende weg, een stukje niemandsland in de rafelrand van de grote stad. Terrain vague is er ook een mooie benaming voor. Het rijk van Jacobse en Van Es. Daar liggen die paar tientallen vierkante meters die niemand kan gebruiken. Dan wordt het ontdekt door een pionier. Hij bouwt een soort hokje. Hij vindt meer materiaal. De aard van de vondst bepaalt de omvang van de uitbreiding en de lijn van de architectuur. Een paar oude deuren verplichten tot een andere vormgeving dan een stuk gegolfd eterniet. Na een jaar is hier een chaotisch varkenskot, een bizar villaatje, een miniatuur van Rietvelds Schröderhuis verrezen. Als je het bouwsel in een museum zou zetten, zou het voor een interessante installatie kunnen doorgaan. Maar het is niets anders dan het resultaat van de bouwlust van iemand die het geluk heeft gehad dit afgedankt stukje Nederland te ontdekken en tijd, energie en vaardigheid genoeg om er zijn paleis op te bouwen. Als zodanig bedoeld of niet, het zijn kunstwerken. Niets lijkt op iets anders, alles is uniek, het DNA van de bouwer, vastgelegd in zijn ruimtelijke constructie.

Er is een tijd geweest waarin de volkstuincomplexen het wilde westen van de vrije bouw waren. Lang geleden. Nog altijd kun je in Amsterdam op je kaveltje neerzetten wat je wilt, mits je je aan de regels houdt: niet meer dan 28 vierkante meter woonruimte, plus zes voor het schuurtje en zes voor een glazen kas. De regels staan in een dik boek met bouwvoorschriften. En als dat je allemaal te veel gedoe is, kun je bij de fabriek een prefab bestellen. Als je uit het noorden met de trein Den Haag binnenrijdt, zie je rechts een complex dat voor het grootste deel uit zulke prefabs bestaat. De pionier heeft daar niets mee te maken. Het geheim van de pionier is dat hij – vrij mens, ni Dieux ni maître – doet wat hem, binnen de gegeven beperkingen van bouwmateriaal, gereedschap, omgeving en zijn vakkennis, het beste dunkt.

Heel lang is dat normaal geweest. Voor relatief weinig mensen was er een overvloed aan grond. Daarop werd niet veel gebouwd dat nu merkwaardig, curieus, bizar genoemd zou worden. Dit komt doordat de stijl van een cultuur, een regio, een tijdvak een overheersende invloed had, maar daarbij ruimte genoeg liet voor een groot scala aan varianten. Toen werd ruimte steeds schaarser. De eerste oorzaak is dat de bevolking groeit; de tweede dat de welvaart stijgt; de derde, product van de eerste twee, dat om van zijn welvaart te profiteren ieder individu aanspraak maakt op steeds meer persoonlijke en publieke ruimte. Daaruit ontstaat het gedrang van de moderniteit. Dat moet gereguleerd worden, want anders wordt het een bende. Zo komt het onder andere dat alleen de zeer rijken nog kunnen wonen in het huis van hun strikt eigen ontwerp, en dan onder voorbehoud dat de welstandscommissie het goedkeurt.

Onafhankelijke geesten

Altijd zijn er onafhankelijke geesten die zich er niet bij neerleggen. Toen de eerste naoorlogse welvaartsgolf het Westen trof, kwamen jongeren in verzet. In Amerika de beatniks en de hippies, hier de Provo's en in de literatuur de Vijftigers. Zeer in het algemeen en in het gemiddelde gesproken hebben de Amerikanen een paar dingen op ons voor. Ze hebben meer ruimte, ze zijn rijker en ze werken harder. Tussen die drie gegevens bestaat natuurlijk weer een samenhang, maar dat gaat te ver. Een vertakking van het verzet in die periode is het bouwverzet. Een van de eerste historische resultaten is Drop City, een nederzetting opgebouwd in de buurt van Trinidad, Colorado, uit materiaal van sloopauto's, domes volgens het geodetisch principe van Richard Buckminster Fuller. Prachtige constructies, die niet lang na het verdwijnen van de daar wonende commune zijn vervallen tot een Pompeji van de tegencultuur.

Onze architect van deze periode is Robert Jasper Grootveld, eerst met zijn antirooktempel, toen met zijn vlotten. Het wordt tijd dat er een monografie over hem komt. En afgezien daarvan, de jaren zestig met hun aanloop zijn, in tegenstelling tot wat de courante wijsheid wil, niet een tijdvak waarin de destructieve tolerantie is geboren. Nee, integendeel: overheersend was de ongeschreven ideologie van geweldloosheid en gemeenschapszin in combinatie met grote persoonlijke vrijheid en de werklust die bij creativiteit hoort. Dat de naïviteit deze voorhoede daarbij parten heeft gespeeld, is een andere zaak. Maar naïviteit is niet per se een slechte eigenschap. De hippies waren jongeren die de consumptiemaatschapij in wording ontweken. Wie nu `hip' is, hoort juist tot de modieuze voorhoede van die maatschappij.

Het eerste moderne boek over het persoonlijke bouwen, daarbij inbegrepen het bouwverzet, is verschenen in 1973, in San Francisco. Het heet Shelter. In 175 pagina's A3-formaat wordt een overzicht van alles gegeven: woontypen, materialen, methoden van constructie, en dit alles geïllusteerd met foto's, werktekeningen en vindplaatsen van de materialen. Een collectieve productie onder het redacteurschap van Lloyd Khan. Ook van 1973 is Handmade Houses, A Guide to the Woodbutcher's Art, van Art Boericke en Barry Shapiro. Shelter geeft meer een overzicht van het rauwe werk, the basics. Het begint al bij de Indianen, zoals het bij ons bij de koepelgrafbouwers zou beginnen. Handmade Houses is binnen de de grenzen van het genre chiquer, deftiger. Er wordt meer voor de eeuwigheid gebouwd. De burgerlijke gezelligheid en de romantiek maken hun rentree. Binnen Nederlandse context kom je tot de conclusie dat er een Anton Pieck-element is ingeslopen. Scandinavische knusheid in de eeuwig zingende bossen.

De ideologie van de jaren zestig verandert. Het legale en illegale bedrijfsleven beginnen voorzichtig de braakliggende gebieden van de tolerantie te exploiteren. De counterculture schuwt het geweld van de confrontatie niet meer. De oorspronkelijke poëzie van de constructielust raakt op de achtergrond. En dan – wat daar de oorzaken van mogen zijn, is nog niet uitgezocht – komt omstreeks de eeuwwisseling weer leven in de eigen bouw. In 2002 is de Engelse herdruk verschenen van Cabin Fever, Sheds and Shelters, Huts and Hideways, van Marie-France Boyer, en het nieuwe Men and Sheds, van Gordon Thorburn. Beide boeken brengen in foto's en tekst nieuwe resultaten van bouwlust. In Nederland is deze maand Rob van der Wulp (52) na zijn carrière als copywriter een nieuw leven begonnen, als bouwer van boomhutten. (Zie ook de Achterpagina van deze krant, 11 februari).

Onbehaaglijk

Altijd zijn er mensen die zich onbehaaglijk, niet gelukkig voelen in de eenvormigheid. Zijn dat er nu weer meer dan een paar jaar geleden, beleven we een renaissance van de eigen bouw? Er zijn oorzaken genoeg voor. Hoewel heel velen zich koesteren in hun `individualisering', en al dan niet door pillen geholpen hoogst persoonlijk uit hun dak gaan, wordt deze tijd ook gestempeld door de vrijwillig aanvaarde kadaverdiscipline van fun, sport en entertainment. In zijn essay, verschenen bij het twaalfeneenhalfjarig bestaan van de Stichting Beeldende Amateurkunst verdedigt Abram de Swaan de onschuld tegen het professionalisme. ,,Het lijkt wel of de meeste mensen zo rond de puberteit aan expressiviteit verliezen. De paradijselijke staat van onschuld gaat verloren met de kindertijd.''

Wie daar later als groot mens nog behoefte aan heeft, kan linnen, verf en penselen kopen om een oeuvre bijelkaar te schilderen, of gedichten maken, een roman schrijven. Dat doen er in Nederland bij elkaar een paar miljoen. Of hij/zij kan op vuilnisbakkendag met een bakfiets langs de straat gaan, zich verbazen over wat daar allemaal ligt, het bruikbare inladen met de bedoeling zijn eigen huis te bouwen. Maar waar? Nederland is bijna vol en waar het niet vol is, is het verboden. Dat is onze intrinsieke treurigheid. Alleen in de bomen en hier en daar op het water is nog een beetje ruimte.