Aan het denken gezet door Ayaan

Het gebeurde in de Balie, debatcentrum in Amsterdam voor progressieve en andere pregnante kwesties. Filosofe Baukje Prins werd na een lezing over het multiculturalisme van haar stuk gebracht door een snoeiharde interventie van de toen nog onbekende Ayaan Hirsi Ali. De Somalische medewerkster van de Wiardi Beckman Stichting verweet Prins als comfortabele westerse intellectueel de waarden van de Verlichting weg te relativeren en moslims, die die waarden hard nodig hebben, geen Voltaire te gunnen. De hartstochtelijke smeekbede van Hirsi Ali voor een Verlichting in de islamitische wereld werd korte tijd later afgedrukt in Trouw onder de kop `Gun ons een Voltaire'.

De publieke aanvaring, in de herfst van 2001, was het begin van Hirsi Ali's spectaculaire loopbaan in de media en de politiek, en noopte Baukje Prins tot een politiek-filosofisch zelfonderzoek waarvan de resultaten zijn neergeslagen in een grondig herziene versie van Voorbij de onschuld (2000), haar boek over de multiculturele samenleving en integratie in Nederland. Een herziening was ook geboden omdat het debat sinds de aanslagen van 11 september 2001 en de stormachtige opkomst van Pim Fortuyn in een stroomversnelling was beland. Het `nieuwe realisme' dat al begin jaren negentig opgeld had gedaan in het debat over asielzoekers en migranten, onder meer in publicaties van Frits Bolkestein en Herman Vuijsje, explodeerde in een afrekening met taboes van `de linkse kerk' en een eis aan migranten om zich niet alleen sociaal-economisch maar ook cultureel aan te passen.

Prins onderzocht de retoriek van het `nieuwe realisme' in haar boek, dat royaal werd geprezen als `subtiel' en getuigend van `onafhankelijkheid van denken' (Boeken, 20.07.01). Vier jaar later is ze in haar analyses nog steeds subtiel, maar de onafhankelijkheid van denken is sterk onder druk komen te staan van het alom uitgeroepen failliet van de multiculturele samenleving en het spectaculaire succes van Ayaan Hirsi Ali, inmiddels Tweede-Kamerlid voor de VVD. Prins worstelt in nieuwe hoofdstukken die aan haar boek zijn toegevoegd volop met een poging Hirsi Ali haar gelijk te geven inzake het bestrijden van religieuze vrouwenonderdrukking (en haar te verdedigen tegen laatdunkende manieren om haar de mond te snoeren als `getraumatiseerde' vrouw), zonder haar steun voor een vorm van multiculturalisme te laten varen.

Zodoende plaatst Prins een aantal kritische kanttekeningen bij het `verlichtingsliberalisme' dat Hirsi Ali en haar medestanders uitdragen. Zulke liberalen, aldus Prins, `die hun eigen visie van het goede leven alleenzaligmakend vinden, vergeten een essentieel bestanddeel van de erfenis van de Verlichting dat het politieke liberalisme mijns inziens wel serieus neemt, en dat is de waarde van scepsis en twijfel'. Ze bespeurt bij hen te weinig `tegenzin' bij het inperken van vrijheden en rechten, dat een liberale overheid toch zou moeten ervaren als `verraad aan de eigen beginselen'. Integendeel, ze ziet een `bijna triomfantelijke' bereidheid tot een `liberale jihad'.

Sleets

Prins maakt meer rake opmerkingen over zowel de gebreken van het multiculturalisme als die van het `nieuwe realisme'. Terecht is haar kritiek op de inflatie van het begrip `cultuur', dat zowel door apologeten als critici van de multiculturele samenleving al te makkelijk wordt gebruikt om standpunten te rechtvaardigen. Cultuur wordt tot een ding gemaakt, `een duidelijk omlijnd geheel dat op een bepaalde manier beschreven en getypeerd kan worden'. Die benadering doet geen recht aan de werkelijkheid waarin culturen intern verdeeld zijn, veranderen en elkaar beïnvloeden, aldus Prins, die overigens ook de gebreken van een slecht doordacht cultuurrelativisme terdege inziet (Hoe bepalen we immers dat alle culturen gelijkwaardig zijn? Dan moet er dus toch een maatstaf zijn). Volgens de nieuwe realisten worden praktijken als uithuwelijking, vrouwenmishandeling of eerwraak `goedgepraat' door cultuurrelativisten, maar Prins wijst erop dat zulke argumenten door hen in werkelijkheid veel minder worden gebruikt dan tegenstanders van het multiculturalisme suggereren.

Identiteiten

Zo bevat deze nieuwe editie van Voorbij de onschuld enkele nuchtere ideeën en observaties, die zich onttrekken aan het overspannen karakter dat het debat over integratie in Nederland nu kenmerkt. Op hoofdpunten blijft Prins haar eerdere analyse trouw: ze pleit nog steeds voor een opvatting van de multiculturele samenleving die ruimte biedt aan gemengde identiteiten (zoals, noteert ze, die van `een radicaal-liberale Somalische feministe en een perfect Vlaams sprekende Libanese Belg die zich verzet tegen culturele assimilatie'). Tolerantie is volgens haar geen relativistische onverschilligheid die zich van elk moreel oordeel onthoudt – zoals door te velen te vaak wordt gedacht – maar het vermogen om afwijkend gedrag of onprettige opvattingen te accepteren ook al hééft men er een negatief moreel of esthetisch oordeel over.

In theoretisch opzicht blijft Prins bij een postmodern getint `constructivisme': de retoriek van het nieuwe realisme (of die van andere overtuigingen) is niet louter een weergave van de werkelijkheid maar maakt daar ook zelf deel van uit en vormt die realiteit. `De retoriek van het taboe is een mooi voorbeeld. Het louter constateren dat een bepaald taboe bestaat, betekent al dat men het aan het doorbreken is.' Een heldenrol is zo gauw verdiend. Door die pragmatische visie op kennis is Prins ook niet onder de indruk van de kritiek dat beleid en onderzoek te innig verstrengeld zouden zijn: ze vindt het goed dat de overheid wetenschappers inschakelt, en dat die op hun beurt bereid zijn uit hun ivoren torens af te dalen.

Dat laatste is misschien al te optimistisch, zoals haar intellectuele lofzang op hybride identiteiten en `abnormaliteit', in het ongewijzigde en behoorlijk academische middendeel van het boek, nogal gedateerd aandoet. Dat neemt niet weg dat in een klimaat met een onstuitbare hang naar escalatie, de rustige en eerlijke betoogtrant van Prins een verademing is.

Baukje Prins: Voorbij de onschuld. Het debat over integratie in Nederland (herziene tweede editie). Van Gennep, 218 blz. €22,50