Weg met de bloedeloze universiteiten

Nederlandse universiteiten stimuleren studenten niet en doen geen moeite om de beste studenten uit binnen- en buitenland aan zich te binden. Topuniversiteiten met een ander klimaat zijn dringend nodig, meent Enrico Perotti.

De financiering van het onderwijs voor uitblinkers begint in Europa een urgente kwestie te worden. Het Britse kabinet heeft hieraan zelfs zijn politieke lot verbonden. En zowel in Duitsland als in Italië woedt een debat over de vraag of het, om kwijnende nationale stelsels nieuw leven in te blazen en de grote brain drain naar de VS tot staan te brengen, nodig is om van de grond af aan nieuwe topuniversiteiten op te bouwen.

De veranderingen in het onderwijsbeleid die de minister vorige maand heeft aangekondigd, zouden topmastersopleidingen de gelegenheid bieden om hogere collegegelden te vragen en een streng toelatingsbeleid te voeren. Misschien zullen die veranderingen de beste onderwijsinstellingen in staat stellen topopleidingen aan te bieden, opdat van gemotiveerde, intelligente studenten werkelijk de hoogste prestaties zullen worden verlangd.

Het billijke bezwaar dat minder welgestelde studenten hierbij in het nadeel zouden zijn, moet worden afgewogen tegen het feit dat dat in het huidige stelsel ook al het geval is, aangezien rijke studenten al naar het buitenland gaan om daar topopleidingen te volgen die in eigen land niet beschikbaar zijn. De eersten kunnen en moeten worden geholpen met leningen – waarvan de terugbetaling, net als in het Verenigd Koninkrijk, kan worden gekoppeld aan het toekomstige salaris – en beurzen op grond van prestaties, die worden betaald uit het hogere collegegeld.

Een bijkomend voordeel zou zijn dat

deze aanpak het hele onderwijsstelsel zou meesleuren naar een hoger niveau van ambitie en dynamiek, waarvan uiteindelijk de meeste studenten profiteren.

Ook moet iets worden gedaan aan een ingebakken wanverhouding. Om te komen tot een meer meritocratisch dan plutocratisch carrièrestelsel, vindt op de Nederlandse scholen een vroege selectie plaats in het middelbaar onderwijs, waarop echter later niet wordt voortgebouwd. In feite kan veel verbeterd worden aan de in het middelbaar onderwijs toegepaste selectieprincipes, hoe redelijk die merendeels ook zijn. Het nadeel daar is dat origineel denken er op geen enkele manier wordt aangemoedigd. Later gebeurt dat evenmin: wanneer de studenten eenmaal naar de universiteit gaan, zijn de programma's veel te uniform. Ze bieden onderwijs dat is afgestemd op de modale student, en wel de autochtone Nederlander. Aangezien de titels merendeels gelijkwaardig zijn, voegen de studenten zich naar deze geest van gelijkschakeling door zo weinig mogelijk uit te voeren en hun energie grotendeels te steken in andere zaken dan de studie.

In de ogen van buitenstaanders die aan enkele van de beste onderzoeksuniversiteiten ter wereld werkzaam zijn geweest, zijn de Nederlandse universiteiten competent maar weinig inspirerend, niet erg prestatiegericht en te zeer naar binnen gekeerd. Zij gaan gebukt onder het streven naar regels die de grootst mogelijke betrouwbaarheid en het grootst mogelijke gemak voor de insiders waarborgen ten koste van experimenten en concurrentie. Zij bevorderen niet een cultuur waarin het individu wordt gemotiveerd om in gezonde wedijver te streven naar uitmuntende prestaties. De meeste studenten leven in een subcultuur waarin je niet moet proberen uit te blinken, anders ben je in de ogen van de groep al gauw het lievelingetje van de meester.

Uniformiteit, zelfgenoegzaamheid en bureaucratisch denken zijn precies de factoren waardoor Nederland de laatste jaren zo sterk is gedaald op de internationale concurrentieschaal. Dit land – dat historisch gezien als weinig andere blijk heeft gegeven van het vermogen om zich evenwichtig aan externe ontwikkelingen aan te passen – loopt tegen een stuk of wat zelfopgelegde grenzen aan.

Invoering van concurrentie in het hoger onderwijs zal de bitter nodige speelruimte creëren voor de noodzakelijke educatieve, en indirect ook wetenschappelijke ontwikkelingen. Die noodzaak berust op een eenvoudig beginsel: wil onderwijs voor iedereen een betrouwbare weg zijn naar sociale ontplooiing, dan moet het competitief zijn. Op dit moment spoort het onderwijs de jonge mensen niet aan, het moedigt hen niet aan om `alles' uit zichzelf te halen, om de slimste te zijn, om het hardst te werken. Het Nederlandse stelsel behoeft een sterkere interne wedijver, omdat die meer innovatie vergt van de docenten, en de studenten meer verantwoordelijkheid geeft om te presteren, en dus de studieervaring intensiveert.

Om Nederland nog een beetje te laten meetellen in de wereldwijde strijd om de bekwaamste en meest begaafde mensen – waarvan uiteindelijk de gemotiveerde studenten op alle niveaus profiteren – moet het Nederlandse stelsel veranderen. Het alternatief is een stelsel voor hoger onderwijs dat gestaag aan concurrentiekracht inboet, dat conformisme en een zelfgenoegzame cultuur van ,,goed genoeg'' en ,,doe maar gewoon'' blijft cultiveren, een cultuur van redelijk opgeleide studenten, die in de mondiale economie niet kunnen leiden, maar alleen nog kunnen volgen.

De beste academische instellingen ter wereld hanteren als basisstrategie dat zij studeren zo duur maken dat de rijke kinderen veel bijdragen aan de beurzen voor de slimste kinderen. Dat brengt een tweede voordeel mee: de oorzaak waardoor de beste Amerikaanse onderwijsinstellingen zo uitblinken is dat zij uit de hele wereld de beste studenten aantrekken en zo hun eigen studenten prikkelen om te presteren. De Nederlandse universiteiten daarentegen zijn merendeels wel adequaat, maar inspireren weinig door hun egalitaire en daardoor bureaucratische aanpak, waardoor zij er niet toe aanzetten om het nieuwste, meest geavanceerde na te jagen.

De heersende subcultuur is vooral gericht op een behoorlijk niveau over de gehele linie, in plaats van op een uitdagende omgeving die aanzet tot vindingrijk studeren. Studenten voeren maar al te vaak achterhoedegevechten voor gemakken die afbreuk doen aan de prestaties, zoals het recht op een eindeloze reeks herkansingen, waardoor de studenten kunnen studeren wanneer zij willen in plaats van wanneer zij moeten, namelijk tijdens het studiejaar.

Belangrijker nog is dat het stelsel – hoewel dankzij goede faciliteiten en een hoog niveau van Engelse taalvaardigheid potentieel internationaal aantrekkelijk – er volstrekt niet in slaagt intelligente studenten uit het buitenland te werven. Zulke studenten zijn een zegen voor de doorsnee Amerikaanse student, die erdoor in zijn leerervaring wordt geïnspireerd en geprikkeld. Het Nederlandse universitaire stelsel, dat zich niet werkelijk internationaal oriënteert, doet zijn knapste studenten tekort en slaagt er niet in studenten uit het buitenland aan te trekken, wat uiteindelijk alle studenten benadeelt.

Door het gebrek aan krachtige stimulansen en zware eisen blijven ook de motivatie en de drang tot vernieuwing van een te groot deel van het docentenkorps onder de maat. Toen ik na tien jaar in Cambridge, Massachusetts, naar Amsterdam kwam, ontdekte ik dat universitaire docenten de studenten het boek voorlazen. Het frappante was dat de docent Nederlands sprak, terwijl het boek vaak een Engels boek was. Onder vier ogen beklaagden de beste studenten zich wel over dergelijke zaken, maar op college zouden ze zoiets nooit zeggen om zich niet als al te ambitieuze studenten de algehele minachting op de hals te halen.

Dit is geen passende subcultuur voor een moderne samenleving die gelijke tred wil houden met de vooruitgang. In de moderne kenniseconomie valt weinig te kiezen: ofwel een land helpt mee de grenzen van natuurwetenschap en technologie te verleggen, ofwel het is gedoemd om in de internationale arbeidsverdeling taken met een steeds kleinere toegevoegde waarde te verrichten. Zelfgenoegzaamheid is een kortzichtige houding, die in het verleden al vele trotse culturen heeft geknakt, zoals die van de gilden uit de Italiaanse Renaissance.

De introductie van een onderwijsstelsel van absolute topkwaliteit in Nederland, aangevuld met degelijke beurzen, zou het geheel niet minder rechtvaardig maken. Het is nu al zo dat slimme rijke kinderen in het buitenland de beste opleidingen bezoeken. Nu in heel Europa na drie jaar de bachelortitel wordt verleend, wordt internationaal gevochten om de beste masterstudenten. Een verblijf van enkele jaren aan een van de beste Amerikaanse onderzoeksuniversiteiten is voor mij een les geweest in de kracht van een stelsel dat – althans tot aan het recente verzet tegen immigratie – veel van de briljantste en meest ondernemende personen wist aan te trekken.

Meer dan de helft van mijn postdocgroep, en tweederde van de best presterenden, waren geen Amerikanen; de meesten van hen hebben inmiddels de Amerikaanse nationaliteit verworven. De sleutel tot het Amerikaanse succes is het vermogen om mensen die door hun talenten overal welkom zouden zijn, iets te bieden wat zij elders niet gauw krijgen, namelijk instellingen die zeer hoge eisen stellen.

De begaafdste studenten uit allerlei landen (inclusief veel ontwikkelde landen) trekken massaal naar het buitenland. De afgelopen twintig jaar zijn meer dan een miljoen Aziaten voor een universitaire opleiding naar het buitenland gegaan, vooral naar de VS; het Verenigd Koninkrijk ontvangt dankzij de Engelse taal ook een aanzienlijke stroom.

Deze vloed van slimme studenten uit China, India, de rest van Azië en Latijns-Amerika die kansen zoeken in het `Westen', is een van de grootste migraties van menselijk kapitaal uit de geschiedenis, en de VS hebben hiervan veruit het sterkst geprofiteerd. De pienterste Oost-Europeanen gaan al rechtstreeks naar de VS. Steeds meer jonge West-Europeanen sluiten zich hierbij aan.

De VS spinnen er garen bij, want deze mensen blijven na hun studie meestal in Amerika en verrijken de Amerikaanse economie en wetenschappelijke wereld met hun talent en ondernemingszin, die een belangrijke factor zijn geweest in de recente opbloei van de Amerikaanse productiviteit. Het is ontmoedigend om te zien hoe weinig Nederland voor zo'n instroom van studenten openstaat.

Enrico Perotti is hoogleraar International Finance aan de Universiteit van Amsterdam. Hij doceerde op MIT, Boston University en The London School of Economics.