VVD en hoofddoek

In de kwestie van het VVD-standpunt inzake de islamitische hoofddoek belicht Thomas von der Dunk een belangrijke filosofische kwestie, namelijk die van iets verbieden om tot (grotere) vrijheid te komen (NRC Handelsblad, 1 maart). Hij is blijkbaar niet voor een verbod op het dragen van de islamitische hoofddoek vanwege het aspect onvrijheid en hij relativeert de kwestie door aan omgeving en tijd een belangrijke rol toe te kennen in het dragen ervan.

Door het verbod op het dragen van de islamitische hoofddoek (in bepaalde situaties) wil de VVD moslimvrouwen helpen zich te emanciperen. De strijd tegen de hoofddoek is een strijd voor de vrijheid van vrouwen en dus voor de rechten van de mens, zoals verwoord door Henry-Bernard Lévy in deze krant van 12 februari j.l. Het spreekt toch vanzelf dat de VVD de hoofddoek moet verbieden (in bepaalde situaties), omdat deze partij voor een vrije, onafhankelijke vrouw is en de hoofddoek in deze partij en daarbuiten gezien wordt als een teken van de onderdrukking van de vrouw in de islamcultuur.

Het is wat min om dit standpunt enigszins belachelijk te maken. Dat het verbod ook onvrijheid inhoudt, is niet specifiek. Duizenden gedragscodes in onze vrije samenleving houden onvrijheid in. Voor de cultuurhistoricus Von der Dunk moet dit toch bekend zijn. Maar vanwege het aspect onvrijheid wil hij geen verbod op het dragen van een hoofddoek en gaat hij niet in op de belangrijke aspecten die voor een verbod zouden pleiten.