Van Krimpen maakt `museum van de toekomst'

De modezaal van het Haags Gemeentemuseum moet plaatsmaken voor een interactieve presentatie die op jongeren gericht is. ,,Er is niets statischer dan al die dooie poppen met jurken er omheen'', zegt directeur Wim van Krimpen.

In de modezaal van het Haags Gemeentemuseum is nu nog de expositie Mart Visser Haute Couture te zien en in de belendende kabinetten is de vermaarde collectie muziekinstrumenten van het museum opgesteld. Maar over een maand worden zowel de modezaal als de kabinetten, die samen het hele souterrain van het museum in beslag nemen, definitief gesloten. De opstelling van kostuums en instrumenten moet plaatsmaken voor een nieuw initiatief van directeur Wim van Krimpen: een multidisciplinaire en interactieve presentatie waarmee hij meer jongeren het museum hoopt binnen te halen. Hoewel de financiering van dit `museum van de toekomst' – begroot op 1,8 miljoen euro – nog niet helemaal rond is, wordt in april toch al begonnen met de verbouwing van het souterrain, een ruimte van zo'n 1.400 vierkante meter. De nieuwe presentatie, die de naam Wonderkamers krijgt, zal dit najaar opengaan.

Vorige maand werd het plan voorgelegd aan BenW van Den Haag en volgens Van Krimpen heeft cultuurwethouder Louise Engering inmiddels al `laaiend enthousiast' gereageerd.

Van Krimpen: ,,Een groot deel van ons publiek bestaat uit vijftigplussers, vooral vrouwen. Dat wil ik uitbreiden. Door onze collecties op een experimentele manier te tonen, hopen we ook een jonger publiek aan te spreken dat niet vertrouwd is met kunst. Het onderwijs in Nederland doet nauwelijks iets aan kunsteducatie, en dat gaan we nu dus zelf aanpakken.

,,We willen het begrip `museum' opnieuw definiëren. Als er geen musea bestonden en dit fenomeen nu bedacht werd, hoe zou het er dan uitzien? Dat hebben we geprobeerd ons voor te stellen. In het nieuwe souterrain worden kunst, kunstnijverheid, mode en muziekinstrumenten door elkaar gepresenteerd rondom een amfitheater met flexibele tribunes. Daar is een permanent filmbombardement over onze collecties, maar er kunnen ook modeshows en concerten worden gegeven. Om de theaterzaal loopt een tweehonderd meter lange vitrine waarin alle mogelijke voorwerpen uit de depots op een associatieve en theatrale manier worden uitgestald. In de buitenste ring zijn, in dertien kabinetten, de wonderkamers gepland waar kunst wordt getoond aan de hand van thema's als `abstractie', of `inspiratie en imitatie'. De bezoekers kunnen de presentatie hier steeds veranderen via touch-screens en allerlei nieuwe technieken. Het zijn dus geen statische tentoonstellingen meer. Door spelletjes, vragen en antwoorden willen we het publiek er actief in laten participeren. Daarom worden er, in samenwerking met VPRO Digitaal, ook drie geluidsstudio's ingericht waar mensen zelf kunnen samplen, en clips en muziekopnames maken.''

Een kleurige brochure, gemaakt om sponsors te verleiden, geeft een indruk hoe levendig het er straks zal toegaan in het interactieve museum. Volgens de tekst moeten de wonderkamers ,,een avontuurlijke kralenketting van sferen, belevingen en leermomenten'' worden. In een van die kamers, gewijd aan mode, kunnen bezoekers zichzelf in een pashokje fotograferen en vervolgens virtueel in eeuwenoude of moderne kleding hijsen.

De keuze voor een interactief museum in het souterrain heeft tot gevolg dat er in de toekomst in het Gemeentemuseum minder ruimte zal zijn voor de opstelling van mode en kostuums. Met zo'n 80.000 kledingstukken heeft het museum de grootste kostuumverzameling van Nederland. Van Krimpen noemt de kostuums `een lastig onderdeel' van de collecties: ,,Ze vergen veel zorg, kunnen alleen achter glas en in schemerlicht worden geëxposeerd en trekken weinig publiek. Ik denk dat we er op een andere manier mee om moeten gaan. Bijvoorbeeld door die oude jurken in een verrassende context te laten zien, de huidige modecultuur er meer bij te betrekken. Er is niets statischer dan al die dooie poppen met jurken er omheen, daar wil ik vanaf.''

Van Krimpen wil de kostuumcollectie in de komende jaren `flink uitdunnen': ,,Door schenkingen is die collectie enorm uitgedijd, er zijn talloze stukken die nooit de dozen uitkomen. Al het overtollige moet weg, zodat een topcollectie overblijft.'' Op de vraag of hij de historische kostuumcollectie liever helemaal kwijt dan rijk is, zegt hij: ,,Dit is een kunstmuseum en je moet niet van alles kunst of toegepaste kunst willen maken. Mode en kostuums zijn voor mij een grensgeval. Nederland heeft dringend behoefte aan een nationaal mode-instituut met een expositieruimte en documentatiecentrum.''

Om dat van de grond te krijgen, willen Van Krimpen en Sjarel Ex, directeur van het Centraal Museum in Utrecht, de Stichting Mode.Kom oprichten: ,,Met alle Nederlandse musea die een kostuumcollectie hebben – behalve het Gemeentemuseum en het Centraal Museum ook het Rijksmuseum, Fries Museum en Rotterdams Historisch Museum – hebben we een plan gemaakt voor zo'n instituut met een gemeenschappelijk presentatiepunt. Het idee is dat de musea hun eigen kostuumcollecties blijven beheren, maar ze beschikbaar houden voor exposities in het mode-instituut. Verschillende steden hebben er interesse voor. Het plan heeft vertraging opgelopen doordat de startsubsidie op problemen stuitte. Maar ik ga ervan uit dat het mode-instituut er komt.''