Oudemensenverhalen

De fotograaf Robert Doisneau was gedurende dertig jaar de huisfotograaf van Renault en legde ook Parijs vast. Een confrontatie van herinneringen tijdens een expositie.

Ze staat bij de balie van de grote showroom van Renault aan de Champs Elysées in Parijs. Daar is een tentoonstelling ingericht van de Franse fotograaf Robert Doisneau (1912-1994), gedurende dertig jaar de huisfotograaf van Renault. Doisneau legde ook Parijs vast, in en na de oorlog. Aandachtig staat ze bij de balie een boek met foto's uit die periode in te kijken.

,,Het is mijn jeugd!'' zegt ze blij verrast door de vraag van de vreemde, die al een tijdje over haar schouder meekijkt. ,,Ik ben nu 78, dit Parijs heb ik inderdaad goed gekend. Ik heb Doisneau nog eens een briefje geschreven, maar nooit antwoord gekregen. Het is zoiets waarvoor je veel moed moet verzamelen en dat je dan maar één keer durft. Ik heb niet durven aandringen.''

Ze had zo graag een foto gehad, ter herinnering. ,,Tot aan de oorlog werkte mijn vader bij Renault.'' Welbespraakt en in één adem door vertelt ze dat ze nog 'op uittocht' zijn geweest met de fabriek. ,,De Duitsers naderden Parijs en er deden idiote verhalen de ronde. De herinnering aan 1914-1918 was nog levendig. Ze zouden handen afhakken en dergelijke. Renault was destijds een bedrijf met een grote sociale betrokkenheid, een soort familie. Zo beheerde het tuinen en parken ter ontspanning van het personeel. In dezelfde geest organiseerde het `uittochten', toen de Duitsers Parijs naderden.

,,Wij gingen naar de buurt van La Rochelle, met vrachtwagens van de fabriek. Daar belandden we in een schuur, in een dorp dat niets van Parijzenaars moest hebben. Niet de bevolking maar Renault voorzag ons van voedsel en dekens. Het sloeg uiteindelijk nergens op, de uittocht. Na een dag of tien, toen het gevaar zogenaamd geweken was, keerden we terug, naar een bezet Parijs.''

De Duitsers hakten geen handen af, wel riepen ze jonge mannen op voor de Arbeitseinsatz. ,,Dezelfde Renaultfabriek die onze uittocht had georganiseerd, stelde, eenmaal in handen van de bezetter, mijn vader te werk in Duitsland. Mijn moeder was zwanger van mijn broertje. Ik was net veertien en de oudste. Ik ging naar de fabriek in Billancourt en bepleitte mijn vaders zaak. Hij keerde wonderlijk genoeg terug, na negen maanden. Ik heb toen voor een onderduikadres gezorgd, in Normandië. Daar kwam hij vandaan.''

Nu heft ze haar handen, in een mengeling van wanhoop en schuldbesef. Hoe hadden ze het ook kunnen weten? Geen mens had het gedacht. ,,Dat uitgerekend Normandië slagveld zou worden! Mijn vader hield zich schuil precies op de plaats van de invasie. Hij raakte zwaar gewond aan zijn rug. Mijn moeder wilde hem koste wat het kost terughalen naar Parijs. Ze hield zo verschrikkelijk veel van hem. Ik zei: ik ben de oudste, Ik ga vader wel halen. Te voet, langs kapotgebombardeerde wegen, ben ik toen naar Normandië gegaan.''

De details slaat ze over: `dat zou te veel van uw tijd kosten'. ,,Het was gevaarlijk, maar ik kwam mijn vader op het spoor. In het ziekenhuis zeurde ik net zo lang tot ik de lijst met gewonden kreeg. Het gekke was: mijn vader stond bovenaan. Hij was bij zijn voornaam geregistreerd. Antoine Gaston. Het ziekenhuis wilde hem niet laten gaan, hij was er te slecht aan toe. Ik was minderjarig, maar ik heb gewoon een papier getekend waarin ik de verantwoordelijkheid op me nam.''

Ze kreeg een vrachtwagenchauffeur zo ver zijn voertuig dienst te laten doen als ambulance. Zo kwamen ze terug in Parijs. ,,Vier dagen'', zegt ze, bijna zakelijk nu. ,,Zo lang heeft mijn moeder hem nog bij zich gehad. Hij was 43.''

Ze strijkt peinzend over het boek. ,,U bent een vreemde en ik val u zomaar onbeschaamd lastig met mijn oudemensenverhalen. U moet me het maar vergeven. Het doet me goed dit allemaal te vertellen.'' Ze steekt resoluut haar hand uit, alsof ze zichzelf de mond wil snoeren. Ze zegt het nog een keer. ,,Zo fijn om dit allemaal te hebben kunnen vertellen.''