Meer vrouwen aan de slag

In 2010 moet minstens 60 procent van de vrouwen in Europa een betaalde baan hebben, vindt de Europese Unie. De lonen zijn gestegen en de opvattingen zijn verruimd, maar de aantal werkende vrouwen groeit maar langzaam. Nederland is koploper in het anderhalf-verdieners model.

Het is mooi om ideeën te hebben over emancipatie en de deelname van vrouwen op de arbeidsmarkt, vindt Lillemor Westerberg, hoogleraar vrouwenstudies aan de Universiteit van Stockholm. Maar het zijn, zegt zij, toch vaak economische factoren die het bepalen. ,,Als de vraag naar arbeid groter is dan het aanbod van mannen, komen de vrouwen in beeld.''

De Zweedse hoogleraar begint met een voorbeeld. In de Verenigde Staten ligt de arbeidsparticipatie van vrouwen ongeveer vijftien procent hoger dan het gemiddelde in de Europese Unie. ,,Tijdens de Tweede Wereldoorlog hielden de vrouwen de Amerikaanse economie draaiende. Toen de mannen weer terugkwamen van het front in Europa en Azië hebben Amerikaanse vrouwen deze positie niet meer afgestaan.''

De participatie van vrouwen in Europa is onvoldoende, vinden de meeste Europese beleidsmakers. Meer vrouwen aan de slag – dat zou het antwoord zijn op de vergrijzing, het demografische gebrek aan evenwicht tussen oud en jong waardoor de economie wordt geconfronteerd met hoge kosten van ziekte, zorg en pensioenen.

Het aantal werkende vrouwen in de Europese Unie stijgt, maar is nog altijd gemiddeld zeventien procent lager dan bij mannen. In 2002 werkte 56 procent van de vrouwelijke beroepsbevolking in de Unie. In 1997 was dat nog 51 procent. De EU heeft in Lissabon (2000) afgesproken dat over zes jaar, in 2010, minimaal 60 procent van de vrouwen een betaalde baan moet hebben.

Van de landen in de Europese Unie werken in Zweden de meeste vrouwen, 72 procent. In Nederland heeft 66 procent van de vrouwen tussen de 15 en 64 jaar een betaalde baan van minimaal één uur in de week. Dat is de definitie die de Europese Unie hanteert. Het Centraal Bureau voor de Statistiek hanteert echter een ondergrens van twaalf uur per week – en dan kom je uit op een participatiegraad van 53 procent. Italië was in 2002 hekkensluiter met 42 procent.

Vrouwen werden volgens Westerberg op de Zweedse arbeidsmarkt gediscrimineerd tot eind jaren zestig, toen de economie aantrok en de vraag naar arbeid steeg. ,,Toen konden vrouwen eindelijk hun eisen stellen.'' Het discriminerende element – het kostwinnerschap, dat de vrouw ontmoedigt om een betaalde baan te aanvaarden – werd uit het belastingsysteem gehaald en er kwam kinderopvang waarbij de overheid met een bijdrage van negentig procent in de totale kosten, de grootste financier is. De eigen bijdrage van de ouders is relatief laag en gerelateerd aan het inkomen.

Daarnaast werden de verlofregelingen uitgebreid. Wanneer een vrouw een kind krijgt, kunnen de ouders samen aanspraak maken op een verlof van zestien maanden. De uitkering is tachtig procent van het loon. Om werkloze vrouwen, maar ook mannen, weer aan een baan te helpen bestaat sinds 2002 een regeling waarbij werkloze moeders en vaders recht hebben op drie uur gratis kinderopvang per dag.

Voor veel Europese beleidsmakers geldt Zweden als het walhalla van de participatie van vrouwen. Ook het vorig jaar gepubliceerde rapport Jobs, Jobs, Jobs van oud-premier Wim Kok, waarin hij adviseert over maatregelen om de werkgelegenheid te stimuleren, wordt Zweden vaak als voorbeeld gesteld. ,,Terecht'', constateert Westerberg ,,maar de kosten van levensonderhoud zijn ook relatief hoog. Man en vrouw moeten beiden werken om een goed inkomen te verwerven.''

Werkt nu 53 procent van Nederlands vrouwelijke beroepsbevolking (volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek), in 1970 was dat 25 procent. In een kwart eeuw zijn de opvattingen over betaald werk voor vrouwen sterk veranderd, onder druk van economische factoren en financiële prikkels. Mannen werden lange tijd gezien als kostwinner en vrouwen werden beschouwd als de niet-werkende partner die zorgden voor het huishouden en de opvoeding van de kinderen. Relatief hoge lonen en het fiscaal systeem maakten het voor mannen mogelijk om genoeg te verdienen om het gezin te onderhouden. Er was geen financiële noodzaak voor vrouwen om te blijven werken na hun huwelijk of na de geboorte van hun kinderen.

Eind jaren zestig begonnen de opvattingen over vrouwen en betaald werk te veranderen. In 1965 vond 84 procent van de Nederlandse bevolking het onacceptabel dat vrouwen met jonge kinderen een betaalde baan hadden. In 1970 werd deze meerderheid een minderheid, 44 procent. Bovendien kregen jonge vrouwen een veel betere opleiding. Door hun relatief hoge `verdiencapaciteit' was het voor hoogopgeleide vrouwen duur om niet te werken.

Verder werd het huishoudelijk werk minder tijdrovend. Tussen 1950 en 1990 daalde de gemiddelde tijd die een getrouwde vrouw eraan besteedde, van zeventig naar dertig uur per week. Als gevolg daarvan was de fulltime huisvrouw minder nodig en economisch ook minder aantrekkelijk. De hoogte van de lonen voor vrouwen steeg eveneens. In reactie op deze veranderende omstandigheden is de arbeidsparticipatie van vrouwen snel gestegen.

Aan de vraagzijde vonden werkgevers in met name de dienstensector een enorm arbeidspotentieel in getrouwde vrouwen. Omdat vrouwen ook tijd wilden spenderen aan hun kinderen en door het tekort aan kinderopvang, kozen vrouwen die in de jaren zeventig en tachtig de arbeidsmarkt opgingen voor deeltijdbanen. De populariteit van deeltijd werd veroorzaakt door behoefte van de – herintredende – vrouwen, niet door het beleid van overheid en sociale partners.

Na 1973, toen de werkloosheid toenam, kwam de overheid in beeld. Met een stijgend aantal mensen zonder baan werd deeltijdarbeid gezien als een effectieve manier om de werkloosheid te verminderen. De overheid ging deeltijdarbeid actief stimuleren door gelijke behandeling te garanderen in de sociale zekerheid en het arbeidsrecht. De sociale partners begonnen de voordelen van deeltijdarbeid te onderkennen. Nu is deeltijd weer populair om een bijdrage te leveren aan een meer gelijke verdeling van betaalde en onbetaalde arbeid tussen mannen en vrouwen, en om oudere werknemers aan het werk te houden.

Deeltijd is in de landen van de Europese Unie minder populair bij mannen dan bij vrouwen. In Nederland werken 19 procent van de mannen in deeltijd en 71 procent van de vrouwen (cijfers 2000). In Zweden bedragen die percentages 11 respectievelijk 36.

In Nederland lag de arbeidsparticipatie van vrouwen in de jaren zeventig ver onder die van de meeste andere landen. Dat was mede een gevolg van wet- en regelgeving van de overheid: tot 1957 werden vrouwelijke ambtenaren ontslagen als ze gingen trouwen. Tot 1976 kon een werkgever een vrouw die ging trouwen, zwanger werd of een kind kreeg, ontslaan.

In de afgelopen kwart eeuw werd deze achterstand snel ingelopen, waarbij veel vrouwen in Nederland de voorkeur hebben gegeven aan een deeltijdbaan. Huishoudens met kinderen en twee fulltime werkende ouders (of twee in deeltijd werkende ouders) zijn hier een uitzondering: dit komt voor in respectievelijk 11 en 2 procent van de gezinnen met werkende ouders. Het anderhalf-verdieners model (de man werkt fulltime en de vrouw in deeltijd) lijkt de norm te zijn (53 procent) en een typisch Nederlands fenomeen. In de andere EU-lidstaten is het veel normaler dat beide ouders een fulltime baan hebben.

De mogelijkheden voor deeltijdwerk in Nederland zijn ruim, maar de verlofregelingen zijn relatief sober. Deze regelingen, die de participatiegraad van vrouwen moeten helpen verhogen, zijn in Europa sterk in ontwikkeling. Dat betekent in bijna alle gevallen (met uitzondering van Denemarken) een verruiming: betaald in plaats van onbetaald verlof, een hogere uitkering, langduriger verlof, of een versoepeling van de voorwaarden om aan een regeling deel te nemen.

De belangrijkste doelstelling van verlofregelingen is om het voor vrouwen met jonge kinderen makkelijker te maken om deel te nemen aan de arbeidsmarkt. De Scandinavische landen plus Oostenrijk kennen een langdurig ouderschapsverlof, en de arbeidsdeelname van vrouwen ligt er dan ook ruim boven het Europese gemiddelde. ,,De Mediterrane landen scoren slecht wat betreft de participatie van vrouwen op de betaalde arbeidsmarkt'', zegt Giuseppe Bertola (40), hoogleraar aan de Universiteit van Turijn en specialist op het terrein van arbeidsmarktonderzoek.

Hij plaatst een kanttekening bij de EU-cijfers. ,,Wij hebben een indrukwekkende zwarte en grijze sector waar veel vrouwen wel een betaalde, maar geen officiële baan hebben. Zou je daarvoor corrigeren, dan schat ik dat we tien tot twintig procent boven het officiële percentage van ruim veertig zouden komen.'' Bovendien zijn de verhoudingen in Italië volgens hem snel aan het veranderen. ,,Relatief veel jonge vrouwen hebben een betaalde baan. Als je corrigeert voor leeftijd zitten we nu al boven het Europese gemiddelde.'' Hij verwacht dat over zes jaar de arbeidsparticipatie van vrouwen tussen de 15 en de 64 ,,ruimschoots de Europese doelstelling van vijftig procent zal overstijgen''. Nu is dat 42 procent.

Voor jonge vrouwen die een baan buitenshuis zoeken, is kinderopvang geen probleem. ,,Er komen steeds meer kinderdagverblijven'', zegt Bertola. Ze worden gefinancierd door de overheid en inkomensafhankelijke bijdragen van de ouders. ,,En de werkende vrouw kan natuurlijk altijd een beroep doen op haar moeder en schoonmoeder. Het is in Italië heel gebruikelijk dat zij een zwaar stempel drukken op de opvoeding van de kleinkinderen. Op haar man hoeft ze niet te rekenen, dat blijft een macho.'' Door de telefoon klinkt een schaterlach.

Volgens de recentste data verdienen vrouwen in de Europese Unie gemiddeld zestien procent minder dan hun mannelijke collega's. Portugal, Italië en België zijn de landen waar het verschil met tien procent het geringst is. Bertola: ,,In drie landen loopt de discrepantie op tot twintig procent: Groot-Brittannië, Oostenrijk en Nederland. Wat zegt u daarvan?''

Dit is het tweede deel van de serie `Een nieuw sociaal contract in Europa'. Deel 1 verscheen op 27 jan. en is te lezen op www.nrc.nl/econo- mie/nieuwsociaalcontract.html.