Kritiek op bedrijfsleven is gevaarlijk

Het bedrijfsleven is niet brandschoon, maar het gaat te ver om op alles en nog wat het etiket `fraude' te plakken, meent Jacques Schraven.

Fraude – het is bijna mode geworden om dit verschijnsel op van alles en nog wat te plakken: de beloning van topmanagers, mislukte overnames of falende marktwerking. De definitie van fraude wordt steeds diffuser. De werkelijke omvang kent niemand. Elke dag een krantenkop zegt niet zoveel en Nederland zit volgens de organisatie Transparency International nog steeds in de kopgroep van landen met weinig fraude en omkoping.

Ik ben de laatste die zegt dat het bedrijfsleven brandschoon is. Maar (de bouw wellicht uitgezonderd) incidenten zijn de boventoon gaan voeren. En topinkomens hebben niets met fraude te maken.

Critici zingen vanouds het lied van de zwarte kanten van het kapitalisme. Dat is gevaarlijk en zou ons bijna doen vergeten dat het economische systeem in onze westerse democratieën de uitdagingen en prikkels bevat die ons welvaart, vrijheid en ontplooiingskansen hebben gebracht.

Natuurlijk kent ons systeem ook teleurstellingen: de `nieuwe economie' die een zeepbel bleek, boekhoudschandalen, overnames die waarde vernietigden in plaats van toevoegden. Ze vielen samen met stijgende inkomens van bestuurders.

Terecht en uit noodzaak vragen om loonkostenmatiging en zelf flinke inkomensstijgingen krijgen (ook al is dat geen fraude) is moeilijk uit te leggen en niet altijd te verdedigen.

Wantrouwen jegens het bedrijfsleven is geen nieuw fenomeen. In de jaren 1960-1980 domineerde het politieke geloof in de maakbare samenleving en werden bedrijven argwanend bekeken. Dat geld moet worden verdiend, werd vergeten.

In de jaren '90 diende zich een kentering aan en groeide het vertrouwen in het bedrijfsleven. Dat vertrouwen lijkt nu weer weg.

Maar met bijvoorbeeld het creeren van `aandeelhouderswaarde' is niks mis. Het vraagt wel ondernemingsbestuurders die het hoofd koel houden en zich niet laten opjagen door de `ticker-tape' van vandaag.

De top van bedrijven loopt anders kans gevangene te worden van het moeten waarmaken van de eigen prognoses en beloften. Met beloften waarmaken is ook niks mis, maar realisme blijft geboden en bestuurders mogen nimmer cijfers naar hun hand zetten.

Voorts moet worden bedacht dat snelle groei, waarde- en vermogensvermeerdering geen bedenksels zijn van een paar bestuurders. De druk kwam ook van beleggers, beleggingsfondsen en pensioenfondsen.

Getuchtigd door analisten, moesten ondernemers van kwartaal op kwartaal hogere cijfers laten zien. Daarbij zijn soms grote risico's genomen en de gevolgen ervan verdoezeld.

Aandeelhouderswaarde scheppen op zichzelf is géén fraude, maar als het gepaard gaat met laakbare zaken – knoeien met cijfers, informatie achterhouden voor de accountant – tast dit de integriteit in ernstige mate aan.

Ondernemen is risico's nemen. Dat kan misgaan, bijvoorbeeld bij een overname. Ook hier lijkt de publieke opinie minder tolerant geworden. Falen wordt gezien als `het deugt niet'. Successen die tot welvaart leiden, worden als gewoon beschouwd. Daar komt voor beursgenoteerde ondernemingen bij dat ze spelen in een etalage waar iedereen met de neus tegen de ruit staat gedrukt.

Om vertrouwensherstel te organiseren, moeten bedrijven integriteit als norm beschouwen. Anders heb je een levensgrote kans te zinken. Integriteit is voor mij eerlijkheid en transparantie. Dat sluit corruptie en machtsmisbruik bij voorbaat uit.

In de bouw is een niet langer toegestane aanbestedingspraktijk voortgezet, mede omdat er geen acceptabel systeem voor in de plaats kwam. Integriteit is hier ernstig in het geding, en daar waar strafbare feiten zijn gepleegd, moeten die worden bestraft.

Boekhoudfraude is laakbaar en moet leiden tot aansprakelijkheid, want in het woord fraude ligt opzettelijkheid besloten. De wetgever heeft hierin voorzien door fraude bij de financiële verslaggeving van ondernemingen strafbaar te stellen, in de vorm van boete en/ of gevangenisstraf van de bestuurders of commissarissen.

Als aandeelhouders of crediteuren door een misleidende voorstelling van de toestand van de vennootschap schade hebben geleden, waarbij de eis van opzettelijkheid overigens niet geldt, zijn betrokken bestuurders in beginsel hoofdelijk aansprakelijk om die schade te vergoeden.

Het openbaar ministerie is weinig geneigd een strafrechtelijke actie in te stellen en schade-acties komen weinig voor. De conclusie lijkt gewettigd dat het met de kwaliteit van de boekhouding en de financiële verslaggeving van Nederlandse bedrijven nog zo slecht niet is gesteld.

Ook de code-Tabaksblat is gericht op integer en transparant handelen door het bestuur en op een goed toezicht daarop. Het gaat hier om algemene opvattingen, neergelegd in principes, en de invulling daarvan door best practice-bepalingen. Van deze bepalingen kan om bepaalde redenen worden afgeweken, maar het doel, integer ondernemingsbestuur, blijft natuurlijk hetzelfde.

Mede ingegeven door het uit de hand lopen van de riante vertrekregelingen zijn door de commissie-Tabaksblat ook gedragsregels opgesteld over de beloning. Wie daarvan afwijkt, moet het (kunnen) uitleggen, primair aan aandeelhouders, die goedkeuringsrecht krijgen voor het beloningsbeleid.

Openbaarheid van inkomens voor bestuurders van ondernemingen die geld op de openbare kapitaalmarkt binnenhalen, is juist. Wie echter voor eigen rekening onderneemt of werknemer is, moet niet met zijn salaris in de krant. Openbaarheid van alle inkomens is onverstandig. Het zorgt voor onrust, naar elkaar kijken, voor jaloezie of schaamte. De uitkomst is voorspelbaar: opwaartse druk op inkomens.

Belonen moet zodanig zijn dat een onderneming de beste mensen kan aantrekken, behouden en motiveren. Let wel: niet alleen de topman. Daarnaast is de economische werkelijkheid waarin de desbetreffende ondernemingen opereren van belang, en die is (veel) groter dan Nederland. Als we daar geen rekening mee willen houden, moeten we in Nederland stoppen met internationaal ondernemen.

We zijn daar gespleten in. We tonen een trots Oranjegevoel als Nederlandse ondernemingen vanuit hun Hollandse hoofdkantoren overal het rood-wit-blauw planten. Maar hun internationale managers moeten wél volgens de poldernormen worden beloond. Internationalisering en Poldermodel zijn schurende zaken in een open economie.

Nederlandse ondernemingen moeten qua topbeloning niet de toon zetten en zeker de Verenigde Staten niet als voorbeeld nemen. Het is namelijk zeer de vraag of de toegevoegde waarde van de krankzinnig hoge salarissen bij sommige ondernemingen in de VS werkelijk zo groot is dat je dat kunt verdedigen.

Het is ook de vraag of een code en wetgeving boekhoudschandalen of andere misstappen kunnen voorkomen. We blijven met mensen werken. Natuurlijk moet integriteit de boventoon voeren, maar tegen fraude is geen kruid gewassen.

Jacques Schraven is voorzitter van de werkgeversorganisatie VNO-NCW.