Heet

In de hal van het Centraal Station van Den Haag zijn, op één na, de metalen eetpilaartjes verdwenen. Tot voor kort kon je daarop je kop koffie, doos friet of broodje kroket stallen die je aan de kiosken erachter had gekocht. Daarna mocht je een sympathiek tijdverdrijf beginnen: in afwachting van je trein gedachteloos in je koffie roeren terwijl je de reizigersstromen gadesloeg.

Het is er niet meer bij.

Tenzij je één van de drie gelukkigen aan het enige eetpilaartje bent. Je staat er dan wel bij als een groepje eenzame ijsberen die op een schots in de ijszee afdrijven.

Zo niet, dan is de eetreiziger veroordeeld tot een onhandig soort acrobatiek.

Mijn makke is dat de huid van mijn handen te dun is. Misschien doe ik te weinig huishoudelijk werk, maar daarover een andere keer. Mijn handen verdragen heel slecht hete voorwerpen, ze voelen zich er al snel door gemarteld. De koffiebekers die op stations worden verkocht, behoren tot die voorwerpen.

Het is alsof iemand gloeiend lood in mijn handen stopt en zegt: ,,Stel je niet aan, het koelt vanzelf af.''

Het volgende moment wankel ik met schroeiende handen door een oneindig grote stationshal, op zoek naar een rustplaats, het mag de laatste zijn. Onder mijn oksel houd ik ook nog een broodje krabsalade gevangen, omdat ik mijn handen in snelle afwisseling om de beker moet slaan. Mijn tas bevindt zich ergens tussen mijn tegen elkaar geklemde knieën.

Zo schuifel ik voort. Waarheen? Misschien staat mijn trein, die over een half uur vertrekt, al klaar. Hoop doet hopen.

Aan een kioskverkoper heb ik wel eens om een extra beker als omhulsel gevraagd. Hij keek me geschrokken aan. ,,Dat mogen we helemaal niet'', zei hij, ,,want wij worden afgerekend per beker.''

In Nederland laten wij de treinreiziger nog altijd graag lijden. Moet hij een plasje doen? Vijftig eurocent graag, én gepast, want u moet zeiken, en wij gaan over lijken.

Een dezer dagen deed zich nog een extra complicatie in mijn situatie voor. Twee buitenlandse reizigers stonden in verwarring voor een bord met vertrektijden. Ze hadden één reistas op wieltjes bij zich die op anderhalve meter achter hen stond. Een man in een blauw beveiligingsuniform naderde geruisloos en stelde zich tussen de reistas en de niets vermoedende reizigers op.

Ik kwam tot stilstand, waar niet zoveel voor nodig was, en hield mijn adem in. De bewaker pakte achter zijn rug de reistas vast en deed er telkens een stapje verder mee naar achteren. Tot hij op een meter of vier van de reizigers stond.

Was hij een rover in vermomming en moest ik ingrijpen? Misschien kon ik mijn beker over hem uitstorten dat zou hem voor het leven kunnen uitschakelen.

Toen riep de bewaker iets. De reizigers keken om. De bewaker wees naar de tas. Zó kun je nu als argeloze toerist in Nederland beroofd worden, beduidde hij. De reizigers dankten hem geroerd.

Ik bleef nog even stokstijf staan. Waarom ondervond ik nooit zulk dienstbetoon, wilde ik me verbitterd afvragen, maar veel tijd daarvoor kreeg ik niet. Op mijn rechterbroekspijp zag ik opeens een wittige, langzaam uitvloeiende vlek.

Krabsalade brandt niet, dat scheelt.