Droge putten bij Shell? Alweer!

De aandeelhouders waren niet boos, ze waren spinnijdig. De directeur van de Koninklijke Nederlandsche Petroleum Maatschappij had hun drie jaar eerder nog verteld dat de olievoorraden tot in lengte van dagen voldoende zouden zijn. Het liep anders. De putten droogden op, maar de directeur van de Koninklijke hield de tegenvallers onder de pet. Zijn commissarissen maakten geen bezwaren.

De geruchtenstroom zwol echter aan. De beurskoers van de Koninklijke begon angstig snel te dalen. Nieuwe boringen. Geen resultaat.

De commissarissen grepen ten langen leste in en maakten de sterk gedaalde productiecijfers bekend. ,,Dit werd niet gezien als tijdige informatieverstrekking'', schrijft Paul Frentrop in zijn proefschrift Ondernemingen en hun aandeelhouders sinds de VOC (2002). ,,In de pers brak een storm van kritiek los, terwijl aan de beurs de koers verder instortte.''

De koers van de Koninklijke verloor 90 procent van zijn waarde. Boze beleggers namen de trein. Naar Den Haag, naar het huis van directeur Kessler, waar ook het `hoofdkantoor' van de Koninklijke gevestigd was. Daar gooiden kwade beleggers volgens Frentrop de ruiten in. Dat was niet 2004, maar 1898, toen de Koninklijke acht jaar bestond. Negen jaar later sloegen Koninklijke Olie (60 procent) en Shell Transport and Trading (40 procent) de handen ineen en werd de Koninklijke/Shell Groep een feit.