De Waart laat blazers snerpen tegen pijngrens

Van alle chef-dirigenten die de laatste vijfendertig jaar bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest kwamen en gingen, bleef de relatie van Edo de Waart met het orkest wellicht het warmst. De Waart was chef tussen 1973 tot 1979 en stapte toen op naar San Francisco, maar anders dan de oude chefs Jean Fournet (1968-1974), David Zinman (1979-1982), James Conlon (1983-1991) en Jeffrey Tate (1991-1994) stond hij ook de laatste jaren nog regelmatig voor `zijn' oude orkest.

Het Rotterdams Philharmonisch Orkest heeft dit seizoen al deze oud-chefs uitgenodigd voor een gastdirectie, maar werd getroffen door tegenslag op tegenslag. Na de opening door Conlon lieten Zinman, diens vervanger Gergjev en Jean Fournet (90) om gezondheidsredenen verstek gaan. De Waart kwam wel, met een Richard Strauss-programma dat naadloos aansloot op de reeks voorstellingen van Der Rosenkavalier die hij vorige maand dirigeerde bij de Nederlandse Opera.

Niet alleen thematisch, ook in de rijpe en verzadigde maar zwierige orkestklank met alle mild-melancholieke kleuren sloten de Vier letzte Lieder naadloos aan op Der Rosenkavalier. De warme maar niet zware stem van de Duitse sopraan Melanie Diener vloeide soepel met het orkest samen in subtiele vertragingen en versnellingen in Frühling en in de ademende, dynamische zwel- en krimpeffecten die de Waart toepaste in September.

Ondanks het terugkijkend karakter van de Vier letzte Lieder én de serie `chefs van weleer', bood dit concert vooral een zeldzame blik op alle uitstekende en vaak zeer jonge musici die de laatste jaren aan het Rotterdams Philharmonisch Orkest zijn toegevoegd. In de als opwarmer gespeelde Serenade voor blazers in Es, ook van Richard Strauss, trokken vooral fagottist Bram van Sambeek (23) en hoboïst Alexei Ogrintchouk (25) de aandacht met spel van solistische klasse. Ogrintchouk is een hoboïst zoals je ze maar zeer zelden hoort en ziet; zijn volronde toon en moeiteloos klinkende legato realiseert hij met klezmerachtig hoog de zaal in gestoken instrument.

Ook Strauss `phantastische Variationen' Don Quixote (1897) vestigden de aandacht op de recent aangetrokken, jonge orkestmusici Floris Mijnders (cello) en Anne Huser (altviool), die als solisten op de voorgrond traden. In de extreem diverse `rol' van Don Quixote vulde Mijnders alle gradaties tussen vechtlust en contemplatie in met veel inlevingsvermogen en een onverminderd fraaie toon. Huser verklankte – samen met basklarinet en tenortuba – het wat plattere aandeel van Sancho Panza eveneens met solistisch elan. Daartoe boden De Waart en het orkest de ruimte zonder concessies te doen aan de uitbundigheid die dit stuk eist, met tegen de pijngrens snerpende blazers (gevecht tegen de schaapskudde) en zelfs een woeste windmachine.

Concert: Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Edo de Waart m.m.v. Melanie Diener (sopraan), Anne Huser (altviool) Floris Mijnders (cello). Programma met werken van Richard Strauss. Gehoord: 3/3 De Doelen, Rotterdam. Herh: 4 en 5/3, aldaar. Radio 4: 7/3, 14.15 uur.