De mondiale economie van het verlangen

Hoeveel zorgen moeten geavanceerde economieën zich maken over het uitbesteden van industriële werkzaamheden aan China of van software-ontwikkeling aan India? De angst voor banenverlies aan lagelonenlanden is een dankbaar thema voor populisten, maar slaat de plank op een cruciaal punt mis: de welvaart van de ontwikkelde landen is voor een groot deel afhankelijk van goed ondernemerschap. Geen enkele economie kan immers de levensstandaard almaar blijven verhogen door innovaties die de productie van bestaande goederen doelmatiger maken. Op de korte termijn wordt het product of de dienst goedkoper, waardoor er meer van geconsumeerd kan worden. Maar uiteindelijk weigeren de consumenten meer te kopen, ook al blijven de prijzen dalen. Daarna kan de efficiëntie alleen toenemen als er werknemers worden ontslagen.

Outsourcing, de uitbesteding van werk aan lagelonenlanden, verbetert de levensstandaard uitsluitend als het aldus vrijgemaakte menselijke kapitaal kan worden ingezet voor de vervaardiging van `nieuwe' goederen en diensten. Anders leidt de uitbesteding van werk alleen maar tot een vermindering van de vraag naar binnenlandse arbeid, net als andere vormen van doelmatigheidswinst.

Voor veel ontwikkelde landen vergemakkelijkt de expansie van de markten voor nieuwe goederen en diensten de import uit lagelonenlanden, en vice versa. Meer dan de helft van alle in de Verenigde Staten geconsumeerde industriële producten komt uit het buitenland, vooral arbeidsintensieve massaproductiegoederen. Bijna al het speelgoed en alle in de Verenigde Staten verkochte schoenen zijn afkomstig uit het Verre Oosten. China alleen al neemt 86 procent van de Amerikaanse fietsenmarkt voor zijn rekening.

De door deze import vrijgemaakte middelen hebben de groei bevorderd van industrieën die nieuwe behoeften bevredigen. Goedkope Aziatische televisies hebben westerse huishoudens de financiële ruimte gegeven voor de aanschaf van computers met microprocessoren van Intel en software van Microsoft, ontworpen door technici die anders voor tv-producenten zouden hebben gewerkt.

De snelheid en omvang van de integratie van bijna een miljard Chinese en Indiase werknemers op de mondiale arbeidsmarkten is ongekend, en zal ten koste gaan van sommige werknemers en gemeenschappen in de ontwikkelde landen. Maar zolang die economieën nieuwe verlangens blijven voortbrengen, betekent het outsourcen een kans op voorspoed voor beide partijen. Het probleem is natuurlijk dat de producenten van nieuwe goederen en diensten niet even snel banen kunnen scheppen als dat de vraag naar arbeid afneemt. Na de internethausse van eind jaren negentig nam de banengroei af, terwijl de verhoogde doelmatigheid de vraag naar arbeid bleef ondermijnen.

Ook het gebruikelijke vrijhandelsargument gaat in dit geval niet op. Het vestigen van goedkope callcenters in India, of het goedkoop produceren van fietsen in China weerspiegelen geen enkel `natuurlijk' concurrentievoordeel. De kosten zijn eerder zo laag omdat bijna twee eeuwen lang eerst de koloniale machten en daarna de binnenlandse overheden de markten en de internationale handel aan banden hebben gelegd. Zij lieten een erfenis na van lonen die zó laag waren dat ze opwogen tegen de verminderde productiviteit.

Bovendien kan de export naar lagelonenlanden het banenverlies niet compenseren. Een Chinese arbeider kan zich eenvoudigweg niet dezelfde goederen en diensten veroorloven als een werknemer in Europa, en werknemers in lagelonenlanden besteden slechts een klein gedeelte van hun inkomens aan producten van de EU. Terwijl de inkomens in China groeien, stijgt de import uit andere lagelonenlanden sneller dan de import uit hogelonenlanden. China's overschot op de handelsbalans met de Verenigde Staten ligt boven de honderd miljard dollar, maar tegelijkertijd is er een tekort op de handelsbalans met India.

Onzekerheid over werk leidt tot angst, en die voedt op zijn beurt de protectionistische gevoelens. Maar afgezien van een paar sectoren, zoals speelgoed en fietsen, gaan er veel minder banen verloren aan de import dan aan verbetering van de doelmatigheids.

De industriële werkgelegenheid in de Verenigde Staten daalde vorig jaar naar het laagste niveau sinds 1964, maar dankzij een verdriedubbeling van de productie per werknemer was de totale industriële productie ruwweg driemaal groter. Druk om de kosten te verlagen tijdens de recente inzinking kan het wegvloeien van banen naar lagelonenlanden hebben versneld, maar dat proces kan slechts 15 tot 35 procent van de daling van de werkgelegenheid sinds het begin van de neergang verklaren.

De Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter schreef de conjunctuurcycli van de negentiende eeuw toe aan periodieke uitbarstingen van `creatieve verwoesting'. Een doelmatiger gebruik van contracyclische beleidsinstrumenten kan daarna de effecten van de conjunctuurcyclus hebben verzacht, maar dit kan niet verklaren waarom de productiviteit en de inkomens ook sneller zijn gegroeid dan in de negentiende eeuw. De standaardargumenten van de aanbodeconomie kunnen dat evenmin. De belastingen waren in de twintigste eeuw immers hoger, en de regulering uitgebreider.

Van cruciaal belang is grootschalige, niet-verwoestende scheppingsdrang. Ook al zouden de tussen 1850 en 1900 gedane ontdekkingen die van de hele twintigste eeuw wel eens kunnen overschaduwen, zij waren de geesteskinderen van een paar uitvinders, zoals Thomas Edison, die een kleine, welvarende cliëntèle bedienden. In de twintigste eeuw ontwikkelden veel ondernemers, grote bedrijven, financiers en uitvinders producten en diensten voor de massa. Bovendien schiepen hun innovaties veel `nieuwe' consumentenverlangens, die ook weer bevredigd moesten worden. De uitvinding van het vliegtuig leidde bijvoorbeeld niet tot een vermindering van de vraag naar auto's; mensen gaan vliegen op momenten dat zij anders toch niet in een auto hadden gezeten. Deze nieuwe massamarkten maakten een gestage stijging van de gemiddelde inkomens en de totale werkgelegenheid mogelijk.

Eenvoudig gesteld hangt de welvarendheid van de ontwikkelde landen op de langere termijn af van hun vermogen om te `scheppen' en nieuwe consumentenverlangens te bevredigen. Als dat vermogen goed wordt onderhouden, leidt banenverlies – door verbeteringen van de doelmatigheid van de binnenlandse productie, of door het uitbesteden van werk aan lagelonenlanden – niet tot een lagere levensstandaard. Maar als dat vermogen beschadigd raakt, biedt noch de weg van het protectionisme noch die van de vrijhandel veel perspectief.

Amar Bhidé is hoogleraar bedrijfskunde aan de universiteit van Columbia.

© Project Syndicate 2004

Vertaling: Menno Grootveld