Kromliggen voor Schuyt & Co? Mooi niet

Kees Schuyt (60-plus) stelt dat geen enkele generatie blaam treft voor de almaar groeiende problemen die voortvloeien uit de vergrijzing en ontgroening van de Nederlandse bevolking (Opinie & Debat, 21 februari 2004). Dat getuigt van een eenkennigheid die eigen is aan juist zíjn generatiegenoten.

Want er is wel degelijk een aantal generaties dat beter wist, maar onder het mom ,,dat zien we dan wel'' geen spoor van beleid heeft uitgestippeld.

Wachten tot 2010, als de babyboomers en masse met pensioen gaan, lijkt zelfs nu nog de makkelijkste weg. Volgens Schuyt zijn historische systemen ter financiering van de oude dag ontworpen voor de toenmalige situaties. Dat klopt voor een deel, maar hij gaat voorbij aan het feit dat nog vóór de invoering van de AOW een fel debat werd gevoerd over de keuze tussen omslagstelsel (actieven financieren inactieven) of kapitaaldekkingstelsel (zoals het huidige particuliere pensioensysteem). Tegenstanders van het omslagstelsel waarschuwden toen al voor de gevolgen van demografische transities voor dit stelsel. Ook toen al was sprake van een vergrijzende bevolking, terwijl van ontgroening op dat moment überhaupt nog geen sprake was.

Toch werd in 1957 voor het gewraakte financieringssysteem gekozen, mede omdat het opbouwen van kapitaal een te lange ingroeiperiode vergde. De gevolgen waren voor een ander, luidde de redenering die later zo kenmerkend zou zijn voor alle participanten in de wederopbouw.

Begin jaren '70 werd duidelijk dat Nederland voortaan niet alleen aan vergrijzing onderhevig was, maar ook aan ontgroening. In de ministeriële nota Demografische ontwikkeling en sociale verzekering uit 1972 van het ministerie van Sociale Zaken werd gewaarschuwd voor de gevolgen van de dreigende scheefgroei in de bevolkingspiramide, die, zoals menigeen al begin jaren '50 aankondigde, in een omslagstelsel funest is. Ook gezien de forse uitbreidingen op de AOW gedurende de jaren '60 was ingrijpen geboden.

Dat gebeurde niet. Niet in de jaren '70, niet in de jaren '80 toen, als gevolg van de nakende vergrijzing, de consequenties daarvan voor de AOW zichtbaar werden. Beleidsmakers waren horende doof en ziende blind. ,,Dat zien we dan wel'', was hun mantra.

Nu het uur U, ofwel 2010 en later, nadert, lijkt nagenoeg géén maatregel afdoende om het basispensioen op de langere termijn redelijkerwijs te kunnen garanderen. De solidariteit tussen generaties, vaak geduid onder de noemer van een stilzwijgend contract, komt ernstig onder druk te staan. Generaties als die van Schuyt zullen daar enigszins de dupe van worden. Zij hebben hun schaapjes echter grotendeels op het droge.

Het is een kwestie van tijd, alvorens ook in Nederland, in navolging van landen als Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten, sprake zal zijn van een babybust-generatie. Jongere leeftijdscohorten zullen steeds meer doordrongen raken van het feit dat de generaties vóór hen ervoor hebben gezorgd dat zij wél in een gespreid bedje terechtkwamen, terwijl zij al geruime tijd wisten dat hun nakomelingen maar moesten hopen dat, wanneer zij daar aan toe waren, het basispensioen überhaupt nog zou bestaan.

Wie decennia niets doet, op het creëren van een AOW Spaarfonds na (dat bovendien geconstrueerd is volgens een borstzak-broekzakmodel en niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat betekent), dient er rekening mee te houden dat de babyboomers zich binnen de kortste keren geconfronteerd weten met de babybusters. Schuyt moet er, kortom, niet al te zeker van zijn dat de actieven straks nog wel zijn AOW willen dragen.

Enkele handreikingen door de profiterende leeftijdscohorten liggen voor de hand, opdat een nieuw generatieconflict wordt voorkomen. De directe afschaffing van de VUT of flexibele pensionering is daar één van. Wie zeurt daar jarenlang voor gespaard te hebben, moet zich realiseren dat zijn of haar misgelopen bedrag in geen verhouding staat tot de enorm opgelopen kosten van de sociale zekerheid en, in het bijzonder de AOW in, zeg, 2035, wanneer de verhouding actieven/inactieven het kleinst is.

Nu klinkt het devies: langer doorwerken. Onredelijk is dat niet: sinds de invoering van de AOW is de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar ongewijzigd gebleven. Bovendien wil het gewoonterecht dat vroegere pensionering de normaalste zaak van de wereld is geworden en dat terwijl mensen korten zijn gaan werken. Mensen die nu op hun 75ste nog waterskiën, kunnen ook nog werken. Waarom moeten jongere generaties daar straks krom voor liggen?

Ook moeten gepensioneerden, zeker degenen met een afdoende aanvullend pensioen, verplicht worden ook in hun inactieve periode AOW-premie af te dragen. Dan pas is sprake van enige solidariteit.

Stijn Hustinx (1978) studeert maatschappijgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Binnenkort hoopt hij af te studeren met een scriptie over het inzicht en het beleid van de Nederlandse overheid ten aanzien van de vergrijzing.