Koštunica in greep van socialisten

De nieuwe Servische premier Koštunica heeft een dubbele boodschap: hij wil naar Europa – maar hij wil de samenwerking met het Joegoslavië-tribunaal beperken. Een recept voor moeilijkheden.

Als Vojislav Koštunica zich als premier van Servië gaat houden aan zijn eigen regeringsverklaring van gisteren staat de relatie van Servië met de internationale gemeenschap zwaar weer te wachten. Koštunica's regering wil krachtiger hervormen dan de vorige, ze wil de weg naar Europa op, ze wil Servië richting EU-lidmaatschap, ze erkent ook het recht van de Veiligheidsraad om de status van Kosovo te bepalen (al mag het van Belgrado niet onafhankelijk worden, maar dat wisten we al).

Maar aan de andere kant wil Koštunica de samenwerking met het Joegoslavië-tribunaal beperken; Serviërs moeten niet worden uitgeleverd, maar in eigen land worden berecht, en al in Den Haag veroordeelde Serviërs zouden best in hun eigen land hun straf kunnen uitzitten.

Het is een recept voor moeilijkheden. De internationale gemeenschap eist van Servië onvoorwaardelijke medewerking met het VN-hof, op straffe van sancties. Als minister Colin Powell eind deze maand het Amerikaanse Congres gaat melden dat het Servië van premier Koštunica niet met het Haagse VN-tribunaal meewerkt, kan Servië honderd miljoen dollar aan Amerikaanse hulp mislopen. En dat is dan nog maar het begin van de sancties.

Nu zit Servië niet meer zo om die hulp verlegen als in het verleden. Meevallers bij de privatisering van staatsbedrijven leverden vorig jaar 350 miljoen dollar méér op dan verwacht. Maar het gaat om meer dan geld: de weg naar Europa gaat ook dicht als Servië doet wat het het liefst doet, nee zeggen tegen het tribunaal.

Koštunica is altijd een tegenstander geweest van het tribunaal: hij vindt het een politiek en anti-Servisch hof. Hij was als president van Joegoslavië al tegen de uitlevering van zijn voorganger Slobodan Miloševic, maar moest in 2001 machteloos toezien hoe de toenmalige premier Zoran Djindjic – onder druk van dreigende sancties – hem naar Den Haag stuurde. Ook onlangs heeft de steile nationalist en jurist Koštunica van zijn hart geen moordkuil gemaakt: Servië, zei hij vorige week, heeft brandender problemen dan als ,,leverancier van menselijke goederen naar Den Haag'' op te treden, zei hij. ,,Geef de regering de kans de vele problemen die ze heeft te lijf te gaan. We moeten overleggen over oplossingen die niet zwart-wit zijn en ons in staat stellen te overleven.''

Maar zelfs als Koštunica zelf anders over het tribunaal zou denken, zou uitlevering van verdachten aan Den Haag heel moeilijk zijn. Zijn coalitie van zijn eigen gematigde nationalisten, de harde hervormers van G17 Plus en de monarchisten van de partijencoalitie SPO-NS heeft slechts de steun van 109 van de 250 parlementariërs en is in het parlement afhankelijk van de SPS, de socialistische partij van Miloševic.

Dat heeft de Europese Unie onmiddellijk gealarmeerd. Zowel Javier Solana, EU-buitenlandcoördinator, als de verzamelde ministers van Buitenlandse Zaken van de EU-landen hebben Koštunica aan zijn mouw getrokken. Die van zijn kant heeft geroepen dat de SPS géén voorwaarden voor haar parlementaire steun heeft gesteld en bovendien niet zo erg is als ze onder Miloševic was: Miloševic is erevoorzitter van de SPS, maar politiek is hij dood, zo is de boodschap.

Of dat klopt is de vraag. SPS-leider Milorad Vucelic liet er ook geen gras over groeien. De SPS, zei hij een paar dagen gelden heel openhartig, zal Koštunica's regering ,,onmiddellijk'' ten val brengen als er nog Serviërs worden uitgeleverd; bovendien moet Koštunica de mensen berechten die Miloševic ,,gekidnapt en illegaal naar Den Haag hebben gestuurd''. Koštunica lijkt aldus knel te zitten tussen de Scylla van Miloševic' socialisten en de Charybdis van de internationale gemeenschap.