Integratie en vrije tijd

Alcoholgebruik is slecht in het verkeer maar wordt misschien wel opgevat als gunstig teken van integratie van immigranten. Tenminste, zo denken wetenschappers van de Stichting Economisch Onderzoek van de Universiteit van Amsterdam. In opdracht van de minister van Vreemdelingenzaken gaan de hooggeleerde onderzoekers aan deskundigen en aan een dwarsdoorsnede van de Nederlandse bevolking vragen of ze vinden dat onder andere alcoholgebruik – naast bijvoorbeeld een baan of een studie – een kenmerk van integratie van immigranten is. De ondervraagde autochtone en allochtone Nederlanders mogen rapportcijfers geven voor marketingprofielen van fictieve immigranten die al of niet drinken, autochtone vrienden hebben of naar de soap Goede Tijden Slechte Tijden kijken. Met rapportcijfers worden ook vooroordelen van autochtonen en allochtonen ten opzichte van elkaar gemeten. Uit de discussie over de resultaten moet dan een meetinstrument worden ontwikkeld voor de mate van integratie van immigranten in het land.

Deze benadering is merkwaardig in een rechtsstaat waar de mensen vrij zijn in hun keuze van vrienden, favoriete tv-programma's en in hun meningen. De mensen kunnen hun gedrag ook laten bepalen door een godsdienst. De overheid heeft er niets mee te maken, laat staan een in opdracht van de overheid gepeilde deskundige of Nederlandse doorsneeburger.

Voor de integratiekenmerken die wel van belang zijn is geen peiling of wetenschappelijk onderzoek meer nodig. Daar zijn al tientallen jaren vele dikke onderzoeksrapporten over geschreven. De universiteit kan daar desgewenst op eigen initiatief mee doorgaan. Uiteindelijk liggen de kenmerken van integratie voor de hand. Immigranten die zich aan de wet houden en het zelf kunnen rooien zonder permanent een beroep te doen op de overheid, zijn duidelijk geïntegreerd. Dat is vaak het geval, maar te veel immigranten voldoen nog niet aan die norm. Men kan dan debatteren over de verlangde mate van loyaliteit aan de Nederlandse staat, mate van talenkennis, dubbele nationaliteit, eventuele inburgeringstoetsen. Dat is bij uitstek een politieke en geen wetenschappelijke beslissing.

Politici hoeven geen onderzoek meer te doen of deskundigen te betalen, maar moeten de knoop doorhakken over de kenmerken van integratie. Als ze goede politici zijn, weten ze best wat de meeste Nederlanders daarover denken, maar ambtshalve moeten politici ook rekening houden met de grenzen van de rechtsstaat. Politici moeten die grenzen helder trekken en niet via marktonderzoek de valse illusie wekken dat iedereen over elkaars vrijetijdsbesteding of mening mag meepraten. Een meerderheid kan niet haar wil opleggen aan een minderheid. Kenmerk van de liberale rechtsstaat is dat de burgers van elkaar mogen denken wat ze willen maar elkaar ook vrijlaten in hun godsdienst of levensstijl. Terecht stelt de VVD-notitie over integratie dat westerse waarden van de vrijheid van het individu ,,de morele waarheid'' vormen. Die vrijheid betekent dat economisch zelfstandige immigranten binnen het kader van wet en samenleving hun leven naar eigen wens kunnen inrichten, ook als dat niet in de smaak valt van de meerderheid.