De geur van oude huizen

Een waanzinnig groot aandeel van alle gebouwen in dit land, tachtig procent of zo, is minder dan vijftig jaar oud. Jong dus, in het licht van de geschiedenis.

Je moet dat even tot je laten doordringen: oude huizen zijn zeldzaam geworden, een rariteit. De grote meerderheid is nieuw, en in de meeste (gelukkig niet alle) gevallen non-descript, gebouwd uit noodzaak, zuinig, zonder animo.

Geen wonder dat het gevoel voor het verleden verdwijnt als sneeuw voor de zon. Wie woont in een wereld die van gisteren dateert, kan zich moeilijk voorstellen hoe het vroeger was, en beseft niet dat er toen ook wel eens iets van betekenis gebeurde. Oude huizen zijn onze eerste, tastbaarste verbinding met de geschiedenis.

Oude gebouwen worden in onze tijd niet meer op grote schaal afgebroken (al zijn er altijd vreselijke uitzonderingen, zoals een monumentale kerk in de Rijnstraat in Amsterdam, die zojuist is verpulverd). Nee, op het ogenblik zijn de naoorlogse wijken aan de beurt, wijken waar in de jaren vijftig en zestig jonge gezinnen woonden, en tegenwoordig alleen nog mensen die te arm of te oud zijn om een Vinex-huis of retrovilla te kopen. Daar moet dringend tegen worden opgetreden.

Over deze sloopoperatie, gevolgd door nieuwbouw (renoveren is suf, dus dat gebeurt hoogst zelden) is in het Nederlands Architectuur-instituut in Rotterdam nu een tentoonstelling die eufemistisch De grote verbouwing heet. De fleurige foto's zouden een mens bijna ervan overtuigen dat al dat geweld zinvol en redelijk is. Bijna – want als je even verder denkt, besef je weer hoeveel geschiedenis, hoeveel dierbaars en kenmerkends voor zijn tijd ook daar verloren gaat. Om nog te zwijgen van de ellende voor de afgeschreven bewoners.

Eigenlijk zou het 't beste zijn om alle huizen, ook die van na de oorlog, te beschermen. Anders missen onze kinderen te veel. John Ruskin (1819-1900) heeft er prachtig over geschreven, over hoe we verplicht zijn – want oude gebouwen zijn niet van ons, schrijft hij, ze zijn van hen die ze bouwden en van toekomstige generaties, wij hebben er geen recht op – ze met argusogen te bewaken, te verzorgen en te behoeden voor verval.

Dat gebeurt ook wel in Nederland, daar niet van. Een voorbeeld is het werk van de Vereniging Hendrick de Keyser, die ongeveer 350 oude en minder oude, bijzondere huizen bezit met precies dat doel: op ze te passen. Er is kort geleden een boek gepubliceerd met foto's van zeventien van die huizen, gemaakt door Wijnanda de Roo. Prachtige, prachtige foto's die soms de intiemste kant van een huis laten zien. Zoals de slijtagesporen op een grijsgroen geverfde bedsteewand in een Middelburgs koopmanshuis uit 1665: stokoude verf, gehavend door duizenden aanrakingen van handen die al lang in de schimmenwereld wonen. Maar hun sporen zijn er nog, want die bedsteewand is bewaard – en goddank niet overgeschilderd.

Oude huizen, ook de scheve, de rare, de niet-zo-erg-mooie, zijn gestolde geschiedenis. Wie ze betreedt heeft voeling met het verleden. De keus van een huis, of die nu in vrijheid wordt gemaakt of noodgedwongen, bepaalt telkens weer de kleur en geur van de levens van mensen die er komen te wonen, en zeker van die van hun kinderen. Alleen dat is al een reden om al die huizen met eerbied te behandelen. Niet door ze op te doffen, als bejaarden met een gênante hoeveelheid make-up, maar wel door ze te laten staan en op ze te passen, zodat zij die later worden geboren er ook nog naar kunnen kijken. En er in kunnen wonen.